zaterdag 11 augustus 2018

Inspireerde Rubens Jan Fabre?

Jan Fabre creëerde drie altaarstukken voor de concertzaalvan AMUZ, ooit de kloosterkerk van de Augustijnen. De oorspronkelijke werken waren van de hand van de grootmeesters van de Antwerpse barok: Van Dyck, Jordaens en Rubens. Ze maken nu deel uit van de collectie van het KMSKA. In het kader van het festival Rubens inspireert. Antwerpen barok 2018 mocht Jan Fabre dus drie nieuwe altaarstukken realiseren.

In de folder van AMUZ wordt uitvoerig verwezen naar de link tussen deze nieuwe werken en de oorspronkelijke stukken. Ze worden gelezen als een combinatie van de vormentaal van Jan Fabre met de klassieke religieuze symboliek. De symbolen van Sint-Augustinus, de marteling van de heilige Apollonia, de kunstenaars als een Lam Gods bereid zijn leven te geven voor zijn kunst: ze zijn allemaal terug te vinden. De dekschilden van die arme juweelkevers – stel je even voor dat Fabre gewerkt zou hebben met nertspelzen of schelletjes rauwe ham – verdoezelen de magere iconografie. In wezen doet Fabre niet veel meer dan symbolen  opeenstapelen. Vergelijk dat even met de beeldentaal van de drie oude grootmeesters. Zo gelezen gaat het dus om dure kitsch. Gelukkig is er ook een andere interpretatie mogelijk.

Laat ons beginnen met de Jesus Christ Superstar-figuur van het Augustinusaltaar links. Het is de man die de naam van God en de inspiratie van de Heilige Geest gebruikt om macht te verwerven – de symbolen ervan liggen al aan zijn voeten. De associatie met de televisie- en internetpredikanten ligt voor de hand. Zij bepalen momenteel wie de machtigste man ter wereld wordt. Dit paneel is duidelijk het minste van de drie.

Interessanter is het hoofdaltaar. Een diamant splijt het Lam Gods in tweeën. Het dier wordt niet geofferd, het is al dood, maar beseft dat nog niet. Het resultaat van deze overwinning van het Gouden Kalf is meteen duidelijk: het bloed spuit de lucht in. De resulterende stroom staat op het punt zich terug te plooien, tot een paddenstoelwolk. De heersende machten zien dat het goed is en omringen deze uitbarsting van geweld met een lauwerkrans. God is dood.

Het Apollonia-altaar is het meest complexe van de drie. Een vrouw wordt met een tang de tong uit de mond getrokken, onder het wakende oog van twee honden. Er is geen ontsnappen aan. Het gekrijs gaat door merg en been, zo blijkt uit de decibelmeter onderaan het paneel, maar het klinkt ons als muziek in de oren. De vreemde, groenblauwe figuur heeft het zichzelf aangedaan. Ze had maar moeten blijven waar ze vandaan kwam, mars of waar dan ook. Door naar hier te komen, heeft ze zichzelf monddood gemaakt, rechteloos. Het is haar eigen schuld dat haar stem haar ontnomen wordt.

Ondertussen krioelen de kevers overal op en over, even stemloos, even naamloos als de groene vrouw. Ze worden gemanipuleerd, aangezet tot hebzucht en haat. Ze zijn levenloos. Wij zijn levenloos. De kunstenaar lacht in zijn vuistje.