donderdag 6 november 2014

De erfenis van Rika De Backer verkwanseld?

Het einde van het Vlaamse bibliotheekbeleid

De bibliotheeksector in Vlaanderen is een kind van de eerste staatshervorming. Nadat de gemeenschappen bevoegdheid over cultuur hadden gekregen, maakte uitgerekend minister Rika De Backer met het Bibliotheekdecreet een einde aan de zuilgebonden bibliotheken. Sindsdien heeft de sector zich ontwikkeld tot een netwerk van meer dan driehonderd goed uitgeruste bibliotheken, met een dienstverlening die gewaardeerd wordt door jong en oud. Samen beschikken ze over een uitgebreide collectie, ontsloten door provinciale catalogi. De sector investeert voortdurend in online dienstverlening en infrastructuur en de bibliotheken zetten steeds meer in op lokale samenwerking, met partners uit onder meer onderwijs en welzijn.

Met de septemberverklaring van de Vlaamse regering lijkt aan dat gouden tijdperk een einde te komen. De besparingsplannen van de nieuwe bewindsploeg voor onze sector zijn niet mis. Er wordt 5 procent bespaard op het Vlaamse budget voor openbare bibliotheken, voor Luisterpunt en voor Zorgbib. LOCUS en Bibnet moeten respectievelijk 6 procent en 10 procent inleveren. De VVBAD, als kampioen, verliest een vijfde van haar subsidies. Toch zijn die besparingen niet het ergste dat ons te wachten staat. Met de overdracht van de sectorale middelen naar het Gemeentefonds en met de inperking van de provinciale bevoegdheden, staat ons een ingrijpende hervorming van de sector te wachten. We proberen de gevolgen op een rijtje te zetten.

Het einde van een basisvoorziening

Voor de commissie Cultuur van het Vlaams Parlement zei minister Gatz op 2 oktober uitdrukkelijk dat de extra middelen voor het Gemeentefonds niet geoormerkt zullen zijn. De 50 miljoen die Vlaanderen vanaf 2015 nog voorziet voor de ondersteuning van de lokale openbare bibliotheek, verdwijnt in een grote pot die verdeeld wordt onder de gemeenten op basis van parameters zoals het inwoneraantal. Er is geen enkele garantie dat het geld ook in de toekomst voor bibliotheekwerking zal gebruikt worden.

Daarmee verliest de Vlaamse overheid ook haar belangrijkste instrument om een bibliotheekbeleid te voeren. Werken met beleidsprioriteiten heeft geen zin meer: of ze nu meedoen of niet, de steden en gemeenten krijgen hun geld toch. Er zal geen verplichting meer zijn om een bibliotheekwerking uit te bouwen. De inzameling van cijfergegevens – de BIOS-gegevens – komt op de helling te staan. De Vlaamse regering zal dus zelfs niet meer in staat zijn om de impact van haar eigen beslissingen te meten. Ook het definiëren van de openbare bibliotheek, zoals nu nog gebeurt in het decreet Lokaal Cultuurbeleid, is zinloos. De lokale besturen zullen zelf beslissen of ze een bibliotheekwerking nodig hebben en hoe die eruit zal zien.

Dat wil niet zeggen dat Vlaanderen helemaal geen bibliotheekbeleid meer kan voeren. Er zijn nog altijd de bovenlokale organisaties. Gezien de percentages die zij moeten inleveren, zijn die duidelijk geen prioriteit. De lopende fusie van LOCUS en Bibnet maakt het ook heel onduidelijk welke inhoudelijke werking er nog over zal blijven op Vlaams niveau. De ontwikkeling van de digitale bibliotheek blijft hoogstwaarschijnlijk een speerpunt voor het nieuwe steunpunt. Zal er daarnaast nog ruimte zijn voor initiatieven zoals de Bibliotheekweek of inhoudelijke ondersteuning van lokale bibliotheken? En hoe zullen de andere luiken van het lokaal cultuurbeleid, zoals de cultuur- en gemeenschapscentra, een plek vinden in de nieuwe organisatie?

Voorts zou Vlaanderen natuurlijk middelen kunnen achterhouden van de 50 miljoen die ze voorziet voor de bibliotheken. Dat zou erop neerkomen dat ze de openbare bibliotheken langzaam doodknijpt om een bovenlokaal bibliotheekbeleid uit te bouwen. In een recent advies pleit de Strategische Adviesraad Cultuur, Jeugd, Sport en Media (SARC) hiervoor. Zo zou Vlaanderen financiële ruimte krijgen om een impulsbeleid te voeren. De bibliotheeksector moet momenteel op lokaal niveau al zwaar inleveren en zou zo bovenop de geplande 5 procent nog eens een extra besparing moeten slikken. Eerst ontneemt Vlaanderen zichzelf dus alle instrumenten om een bibliotheekbeleid te kunnen voeren en vervolgens zou het bij de lokale bibliotheken middelen gaan halen om toch iets te kunnen doen. Van een perverse logica gesproken.

Tot slot blijft er natuurlijk de optie om via algemene beleidsprioriteiten doelstellingen te formuleren voor de lokale besturen. Het regeerakkoord bevat aanzetten daartoe, met vermeldingen van een taal- en leesbevorderingsbeleid, aandacht voor mediawijsheid en cultuureducatie. Die bieden echter geen garantie op het voortbestaan van ‘een basisvoorziening waar elke burger terecht kan met zijn vragen over kennis, cultuur, informatie en ontspanning.’


Het einde van een complementair beleid

Dat de provincies hun ‘persoonsgebonden bevoegdheden’ zullen moeten opgeven, is ondertussen ook wel duidelijk. Inmiddels lijkt iedereen ervan uit te gaan dat dit ook voor de provinciale bibliotheeksystemen (PBS) en het streekgericht bibliotheekbeleid (SBB) geldt. Volgens minister Homans worden die persoonsgebonden bevoegdheden overgedragen aan de lokale besturen. Minister Gatz was daar in de commissie Cultuur minder duidelijk over. Ook een overdracht naar het Vlaamse niveau behoort nog tot de mogelijkheden. Het lijkt logisch dat Vlaanderen de PBS-en overneemt. Dat wordt dan allicht een bijkomende opdracht voor Bibnet. Vlaanderen krijgt daarmee mogelijk wel een nieuwe hefboom in handen om een bibliotheekbeleid te voeren. Het is immers niet onzinnig om enkele voorwaarden op te leggen aan bibliotheken die willen aansluiten op het Vlaamse systeem. Veel meer dan wat er nu in het decreet Lokaal Cultuurbeleid staat – kwaliteitseisen kunnen we dat moeilijk noemen – zal dat allicht niet zijn. Maar laat ons hopen dat de BIOS-gegevens en de monitoring daarmee gered zijn – toch voor die gemeenten die aansluiten.

Zoals bekend is de invulling die de provincies geven aan het streekgericht bibliotheekbeleid meer divers. Financiële en inhoudelijke ondersteuning voor samenwerkingsverbanden en voor projecten, de organisatie van opleidingen en uitbreiding van de collecties zijn de belangrijkste domeinen waarop de provincies actief zijn. Als het over de bevoegdheden gaat, lijkt het logisch dat Vlaanderen deze overneemt. Het risico is niet denkbeeldig dat het louter een strijd om de middelen wordt. De lokale besturen willen dan de pot van het Gemeentefonds vergroten, Vlaanderen wil meer middelen voor de digitale bibliotheek en de provincies willen zoveel mogelijk voor zichzelf houden.

Dat wegvallen van het provinciale niveau heeft allicht enkele positieve gevolgen. Profileringsdrang won het geregeld van samenwerking en efficiëntie. Zo gaf elke provincie een eigen invulling aan het streekgericht bibliotheekbeleid en dat provinciale beleid eindigde per definitie aan de provinciale grenzen. Bij de enquête die de VVBAD in 2012 uitvoerde rond de provinciale bibliotheeksystemen kwamen al vragen naar boven voor een Vlaams bibliotheeksysteem.

Toch is het maar de vraag of Vlaanderen de rol van de provincies op vlak van bibliotheekbeleid volledig kan overnemen. Nog niet zo lang geleden waren subsidiariteit en complementariteit de toverwoorden van de politiek. Subsidiariteit houdt in dat een hogere overheid niet doet wat door een lagere gedaan kan worden; complementariteit betekent dat de beleidsniveaus elkaar aanvullen en niet met elkaar in concurrentie gaan. In die logica hebben provincies de voorbije jaren een beleid ontwikkeld dat zich juist situeert tussen het Vlaamse en het lokale niveau. Ze ondersteunen regionale samenwerking, organiseren vormingen en subsidiëren bovenlokale projecten.

Gaat Vlaanderen dat nu allemaal op zich nemen? Krijgen we dan supersteunpunten met een legertje consulenten – de voormalige provinciale SBB-medewerkers misschien? – die zich zullen bezig houden met het stimuleren van samenwerking? Of moeten lokale organisaties en lokale besturen hun plan maar trekken en zelf initiatief nemen om meer te gaan samenwerken? Dat terwijl de vorige Vlaamse regering vaststelde dat de lokale besturen ‘bestuurskracht’ missen en dat Vlaanderen onderhevig is aan ‘verrommeling’ door een wildgroei aan samenwerkingsverbanden. Of komt er een nieuw tussenniveau: dat van de regio’s?

Het einde van de wereld zoals we die kennen

Met de geplande hervormingen zal Minister-president Geert Bourgeois oogsten wat minister van Bestuurszaken Geert Bourgeois tijdens de vorige legislatuur zaaide: een Vlaanderen waar per beleidsdomein maar twee bestuursniveaus verantwoordelijk zijn. Voor de culturele sector worden dat het Vlaamse en het lokale. Wat zich daartussen bevindt aan regionale initiatieven, aan ondersteuning en opleiding voor het lokale niveau, zal gewied worden als was het onkruid. Als Vlaanderen nu de keuze maakt om volop in te zetten op de digitale sprong voorwaarts, dan zal een volgende Vlaamse regering zich mogen buigen over de vraag hoe ze al die Vlaamse digitale initiatieven weer kan doen aansluiten bij wat er lokaal leeft. Geoormerkte middelen in het Gemeentefonds zijn de beste garantie om dat doemscenario te voorkomen. Alleen zo behoudt de Vlaamse regering de mogelijkheid om haar eigen beleid optimaal te laten aansluiten op het lokale beleid.

Deze tekst verscheen eerst in META 2014-8