vrijdag 14 november 2014

Berlijn. Verdeelde stad


De muur mag dan al verdwenen zijn - in het centrum herinnert alleen een rij klinkers nog aan zijn bestaan – Berlijn blijft een verdeelde stad. De Karl Marx Allee is de Kurfürstendamm niet en wie wat met de Berlijners aan de praat geraakt, merkt al snel dat Ossies geen Wessies zijn en omgekeerd.

Ook het Berlijnse bibliotheekwezen is verdeeld en wel in meer dan één opzicht, zoals de deelnemers aan de VVBAD-studiereis naar de Duitse hoofdstad mochten ondervinden. Zowel de Zentral- und Landesbibliothek Berlin (ZLB) als de Staatsbibliothek zu Berlin zijn tweeledige instellingen, geboren uit een fusie tussen oost en west. Ze hebben telkens twee vestigingen en proberen van die situatie het beste te maken. De ZLB bestaat uit de voormalige Berliner Stadtbibliothek in Oost-Berlijn en de Amerika Gedenkbibliothek, opgericht in de jaren 1950 in het Westen en toen een model voor de openbare bibliotheken in Europa. Inmiddels zijn de collecties samengevoegd en weer verdeeld: de meer algemene onderwerpen in het westen en de meer wetenschappelijke onderwerpen in het oosten. Voor de gebruikers niet meteen een ideale situatie.

Zentral- und LandesBibliothek
Maar beide bibliotheken brengen tegelijk ook een andere vorm van verdeeldheid in beeld: de complexe staatsstructuur die misschien niet moet onderdoen voor de onze. Berlijn is een stad, maar ook een deelstaat en de ZLB heeft dan ook een rol te spelen als centrale bibliotheek voor de openbare bibliotheken in Berlijn. Die lokale bibliotheken worden dan weer aangestuurd door de districten. De Staatsbibliotheek beheert erfgoed uit het oude Pruisen en wordt beheerd door een stichting, waar de federale overheid en de deelstaten in participeren. Het is de grootste wetenschappelijke bibliotheek in Duitsland met een oude vestiging aan Unter den Linden en mooi gebouw uit de jaren zestig nabij de Potsdammer Platz, een gebouw dat zijn doel nog altijd uitstekend dient.

De ZLB wordt ook geplaagd door de kloof tussen droom en werkelijkheid, of moeten we zeggen tussen hiërarchie en anarchie? In Berlijn woedt een discussie over de bestemming van de voormalige luchthaven Tempelhof, die pal in het centrum ligt. De stedelijke overheid had plannen klaar voor de ontwikkeling van het terrein: een combinatie van wonen, werken en recreatie. Plannen voor een prestigieuze nieuwe vestiging van de ZLB maakten daar deel van uit. 25 jaar na de val van de muur zouden de collecties eindelijk een gezamenlijk onderdak vinden. In een referendum besliste de Berlijnse bevolking anders. Op Tempelhof mag niet gebouwd worden. Tijdens ons bezoek was de staf van de ZLB nog aan het bekomen van de klap.

Ingeborg Drewitz Bibliothek, Steglitz-Zehlendorf
In Berlijn gaapt er ook een gigantische kloof tussen de openbare en de academische bibliotheken. De deelstaat kent geen bibliotheekwet en de organisatie van de openbare bibliotheek is een opdracht voor de districten, die daarvoor maar beperkte middelen ter beschikking stellen. Zelfs een rijk stadsdeel zoals Steglitz-Zehlendorf beschikt maar over een relatief beperkte hoofdbibliotheek met twee filialen en twee bibliobussen voor een werkingsgebied van bijna 300.000 inwoners. De hoofdbibliotheek, op de derde verdieping van een winkelcentrum, is up-to-date. De inrichting is ruim en licht, er is een leescafé, een terras en een hoekje voor adolescenten en recent werd er RFID geïnstalleerd. Opmerkelijk is de uitgebreide verzameling bladmuziek die we ook in andere Berlijnse bibliotheken zullen terugvinden. De collectie is echter beperkt en verouderd. De aankoopbudgetten zijn duidelijk ontoereikend. De inbedding in het winkelcentrum is een gemiste kans. De bibliotheek beschikt over een eigen verdieping, maar er is nergens een link met de winkels beneden.

In Neukölln staat een vergelijkbare bibliotheek, alleen bereikbaar via de parking van het winkelcentrum. Het is nog geen ‘couloir de la mort’, maar gezellig is toch anders. Het bibliotheekpersoneel maakt er geen spel van. De beperkte middelen vragen om creativiteit. De ZLB biedt ondersteuning, onder meer met een collectie kunst die via de lokale bibliotheken kan uitgeleend worden. RFID wordt uitgerold in alle Berlijnse bibliotheken dankzij een project met steun van de EU. De Pablo Neruda Bibliothek, in Oost-Berlijn uiteraard en trots dat ze erin geslaagd is de naam van een communistische dichter te behouden, doet geregeld beroep op projectgelden. Boeken mogen daar niet van gekocht worden, maar ze laten wel toe om promotiemateriaal en ondersteuning te voorzien.
Volkswagen Bibliothek

Parkeerschijf
in het Grimm Zentrum
Tegenover die soberheid staat de exuberantie van de academische bibliotheken. Architectonische pareltjes die wedijveren om aandacht en als ze hier of daar al eens een paar miljoen te kort komen om het gebouw af te werken, is er altijd wel een automerk dat het gat wil dichtrijden in ruil voor wat naamsbekendheid. Er was niet meteen plaatsgebrek in de vijf verdiepingen rond een vide van de Volkswagen Bibliothek. Het Jakob und Wilhelm Grimm Zentrum, in wezen een gigantische leeszaal met boekenrekken er rond, is zo populair dat er met parkeerschijven gewerkt wordt voor wie zijn of haar werkplaats even wil verlaten. Het ontwerp is dan ook eerder impressionant dan efficiënt. De leeszaal is veel leegte, stoelen en tafels zijn er te kort. Absoluut hoogtepunt is ongetwijfeld het ‘brein’ dat Norman Foster neerplante als Philologische bibliothek. Een koepelconstructie met gefilterd licht. In al dat gepronk moet functionaliteit wel eens het onderspit delven. Akoestiek is in de meeste bibliotheken een probleem. Het Grimm Zentrum heeft te weinig zitplaatsen in de buurt van de boekenrekken, maar het beschikt dan weer wel over werkplekken voor moeders (en vaders?) met kleine kinderen. De bijhorende zak met speelgoed is aan te vragen bij de security, die in zowat alle academische bibliotheken over de ingang waakt.

Leeszaal van het Grimm Zentrum
Het is duidelijk. Berlijn investeert in kennis en onderwijs op hoog niveau. Dat bleek ook uit het bezoek aan het Institut für Bibliotheks- und Informationswissenschaft (IBI). Niet verrassend allicht, maar een tiental jaar geleden woedde in Berlijn de discussie of een bibliotheekopleiding nog wel nodig was in deze tijd. Het antwoord was een volmondig ‘ja’. De ambitie was meteen om van IBI de meest toonaangevende bibliotheekopleiding in Europa te maken. De opleiding werd het eerste Europese lid van de prestigieuze iSchools.

Het geld dat er is, wordt ingezet voor een niet aflatende bouw- en renovatiewoede. Unter den Linden krijgt een opknapbeurt, het oude koninklijk paleis wordt heropgebouwd, wetenschappelijke instellingen richten nieuwe kennistempels op. De openbare bibliotheken krijgen kruimels om te werken aan taalachterstand, digitale geletterdheid, integratie en gewoon leesplezier. Ze doen dat vooral met enthousiasme. In een stad als Berlijn mocht het wel iets meer zijn.

De VVBAD reisde van 18 t/m 21 juni naar Berlijn en bezocht daar een twaalftal bibliotheken. Voor deze kroniek maakte ik dankbaar gebruik van de verslagen van de deelnemers op www.vvbad.be/berlijn.
Deze tekst verscheen eerst in META 2014-8


donderdag 6 november 2014

De erfenis van Rika De Backer verkwanseld?

Het einde van het Vlaamse bibliotheekbeleid

De bibliotheeksector in Vlaanderen is een kind van de eerste staatshervorming. Nadat de gemeenschappen bevoegdheid over cultuur hadden gekregen, maakte uitgerekend minister Rika De Backer met het Bibliotheekdecreet een einde aan de zuilgebonden bibliotheken. Sindsdien heeft de sector zich ontwikkeld tot een netwerk van meer dan driehonderd goed uitgeruste bibliotheken, met een dienstverlening die gewaardeerd wordt door jong en oud. Samen beschikken ze over een uitgebreide collectie, ontsloten door provinciale catalogi. De sector investeert voortdurend in online dienstverlening en infrastructuur en de bibliotheken zetten steeds meer in op lokale samenwerking, met partners uit onder meer onderwijs en welzijn.

Met de septemberverklaring van de Vlaamse regering lijkt aan dat gouden tijdperk een einde te komen. De besparingsplannen van de nieuwe bewindsploeg voor onze sector zijn niet mis. Er wordt 5 procent bespaard op het Vlaamse budget voor openbare bibliotheken, voor Luisterpunt en voor Zorgbib. LOCUS en Bibnet moeten respectievelijk 6 procent en 10 procent inleveren. De VVBAD, als kampioen, verliest een vijfde van haar subsidies. Toch zijn die besparingen niet het ergste dat ons te wachten staat. Met de overdracht van de sectorale middelen naar het Gemeentefonds en met de inperking van de provinciale bevoegdheden, staat ons een ingrijpende hervorming van de sector te wachten. We proberen de gevolgen op een rijtje te zetten.

Het einde van een basisvoorziening

Voor de commissie Cultuur van het Vlaams Parlement zei minister Gatz op 2 oktober uitdrukkelijk dat de extra middelen voor het Gemeentefonds niet geoormerkt zullen zijn. De 50 miljoen die Vlaanderen vanaf 2015 nog voorziet voor de ondersteuning van de lokale openbare bibliotheek, verdwijnt in een grote pot die verdeeld wordt onder de gemeenten op basis van parameters zoals het inwoneraantal. Er is geen enkele garantie dat het geld ook in de toekomst voor bibliotheekwerking zal gebruikt worden.

Daarmee verliest de Vlaamse overheid ook haar belangrijkste instrument om een bibliotheekbeleid te voeren. Werken met beleidsprioriteiten heeft geen zin meer: of ze nu meedoen of niet, de steden en gemeenten krijgen hun geld toch. Er zal geen verplichting meer zijn om een bibliotheekwerking uit te bouwen. De inzameling van cijfergegevens – de BIOS-gegevens – komt op de helling te staan. De Vlaamse regering zal dus zelfs niet meer in staat zijn om de impact van haar eigen beslissingen te meten. Ook het definiëren van de openbare bibliotheek, zoals nu nog gebeurt in het decreet Lokaal Cultuurbeleid, is zinloos. De lokale besturen zullen zelf beslissen of ze een bibliotheekwerking nodig hebben en hoe die eruit zal zien.

Dat wil niet zeggen dat Vlaanderen helemaal geen bibliotheekbeleid meer kan voeren. Er zijn nog altijd de bovenlokale organisaties. Gezien de percentages die zij moeten inleveren, zijn die duidelijk geen prioriteit. De lopende fusie van LOCUS en Bibnet maakt het ook heel onduidelijk welke inhoudelijke werking er nog over zal blijven op Vlaams niveau. De ontwikkeling van de digitale bibliotheek blijft hoogstwaarschijnlijk een speerpunt voor het nieuwe steunpunt. Zal er daarnaast nog ruimte zijn voor initiatieven zoals de Bibliotheekweek of inhoudelijke ondersteuning van lokale bibliotheken? En hoe zullen de andere luiken van het lokaal cultuurbeleid, zoals de cultuur- en gemeenschapscentra, een plek vinden in de nieuwe organisatie?

Voorts zou Vlaanderen natuurlijk middelen kunnen achterhouden van de 50 miljoen die ze voorziet voor de bibliotheken. Dat zou erop neerkomen dat ze de openbare bibliotheken langzaam doodknijpt om een bovenlokaal bibliotheekbeleid uit te bouwen. In een recent advies pleit de Strategische Adviesraad Cultuur, Jeugd, Sport en Media (SARC) hiervoor. Zo zou Vlaanderen financiële ruimte krijgen om een impulsbeleid te voeren. De bibliotheeksector moet momenteel op lokaal niveau al zwaar inleveren en zou zo bovenop de geplande 5 procent nog eens een extra besparing moeten slikken. Eerst ontneemt Vlaanderen zichzelf dus alle instrumenten om een bibliotheekbeleid te kunnen voeren en vervolgens zou het bij de lokale bibliotheken middelen gaan halen om toch iets te kunnen doen. Van een perverse logica gesproken.

Tot slot blijft er natuurlijk de optie om via algemene beleidsprioriteiten doelstellingen te formuleren voor de lokale besturen. Het regeerakkoord bevat aanzetten daartoe, met vermeldingen van een taal- en leesbevorderingsbeleid, aandacht voor mediawijsheid en cultuureducatie. Die bieden echter geen garantie op het voortbestaan van ‘een basisvoorziening waar elke burger terecht kan met zijn vragen over kennis, cultuur, informatie en ontspanning.’


Het einde van een complementair beleid

Dat de provincies hun ‘persoonsgebonden bevoegdheden’ zullen moeten opgeven, is ondertussen ook wel duidelijk. Inmiddels lijkt iedereen ervan uit te gaan dat dit ook voor de provinciale bibliotheeksystemen (PBS) en het streekgericht bibliotheekbeleid (SBB) geldt. Volgens minister Homans worden die persoonsgebonden bevoegdheden overgedragen aan de lokale besturen. Minister Gatz was daar in de commissie Cultuur minder duidelijk over. Ook een overdracht naar het Vlaamse niveau behoort nog tot de mogelijkheden. Het lijkt logisch dat Vlaanderen de PBS-en overneemt. Dat wordt dan allicht een bijkomende opdracht voor Bibnet. Vlaanderen krijgt daarmee mogelijk wel een nieuwe hefboom in handen om een bibliotheekbeleid te voeren. Het is immers niet onzinnig om enkele voorwaarden op te leggen aan bibliotheken die willen aansluiten op het Vlaamse systeem. Veel meer dan wat er nu in het decreet Lokaal Cultuurbeleid staat – kwaliteitseisen kunnen we dat moeilijk noemen – zal dat allicht niet zijn. Maar laat ons hopen dat de BIOS-gegevens en de monitoring daarmee gered zijn – toch voor die gemeenten die aansluiten.

Zoals bekend is de invulling die de provincies geven aan het streekgericht bibliotheekbeleid meer divers. Financiële en inhoudelijke ondersteuning voor samenwerkingsverbanden en voor projecten, de organisatie van opleidingen en uitbreiding van de collecties zijn de belangrijkste domeinen waarop de provincies actief zijn. Als het over de bevoegdheden gaat, lijkt het logisch dat Vlaanderen deze overneemt. Het risico is niet denkbeeldig dat het louter een strijd om de middelen wordt. De lokale besturen willen dan de pot van het Gemeentefonds vergroten, Vlaanderen wil meer middelen voor de digitale bibliotheek en de provincies willen zoveel mogelijk voor zichzelf houden.

Dat wegvallen van het provinciale niveau heeft allicht enkele positieve gevolgen. Profileringsdrang won het geregeld van samenwerking en efficiëntie. Zo gaf elke provincie een eigen invulling aan het streekgericht bibliotheekbeleid en dat provinciale beleid eindigde per definitie aan de provinciale grenzen. Bij de enquête die de VVBAD in 2012 uitvoerde rond de provinciale bibliotheeksystemen kwamen al vragen naar boven voor een Vlaams bibliotheeksysteem.

Toch is het maar de vraag of Vlaanderen de rol van de provincies op vlak van bibliotheekbeleid volledig kan overnemen. Nog niet zo lang geleden waren subsidiariteit en complementariteit de toverwoorden van de politiek. Subsidiariteit houdt in dat een hogere overheid niet doet wat door een lagere gedaan kan worden; complementariteit betekent dat de beleidsniveaus elkaar aanvullen en niet met elkaar in concurrentie gaan. In die logica hebben provincies de voorbije jaren een beleid ontwikkeld dat zich juist situeert tussen het Vlaamse en het lokale niveau. Ze ondersteunen regionale samenwerking, organiseren vormingen en subsidiëren bovenlokale projecten.

Gaat Vlaanderen dat nu allemaal op zich nemen? Krijgen we dan supersteunpunten met een legertje consulenten – de voormalige provinciale SBB-medewerkers misschien? – die zich zullen bezig houden met het stimuleren van samenwerking? Of moeten lokale organisaties en lokale besturen hun plan maar trekken en zelf initiatief nemen om meer te gaan samenwerken? Dat terwijl de vorige Vlaamse regering vaststelde dat de lokale besturen ‘bestuurskracht’ missen en dat Vlaanderen onderhevig is aan ‘verrommeling’ door een wildgroei aan samenwerkingsverbanden. Of komt er een nieuw tussenniveau: dat van de regio’s?

Het einde van de wereld zoals we die kennen

Met de geplande hervormingen zal Minister-president Geert Bourgeois oogsten wat minister van Bestuurszaken Geert Bourgeois tijdens de vorige legislatuur zaaide: een Vlaanderen waar per beleidsdomein maar twee bestuursniveaus verantwoordelijk zijn. Voor de culturele sector worden dat het Vlaamse en het lokale. Wat zich daartussen bevindt aan regionale initiatieven, aan ondersteuning en opleiding voor het lokale niveau, zal gewied worden als was het onkruid. Als Vlaanderen nu de keuze maakt om volop in te zetten op de digitale sprong voorwaarts, dan zal een volgende Vlaamse regering zich mogen buigen over de vraag hoe ze al die Vlaamse digitale initiatieven weer kan doen aansluiten bij wat er lokaal leeft. Geoormerkte middelen in het Gemeentefonds zijn de beste garantie om dat doemscenario te voorkomen. Alleen zo behoudt de Vlaamse regering de mogelijkheid om haar eigen beleid optimaal te laten aansluiten op het lokale beleid.

Deze tekst verscheen eerst in META 2014-8

zaterdag 1 november 2014

Een parabel voor harde tijden

R. David Lankes is hier (misschien) bekend als bibliotheekgoeroe, maar dit verhaal gaat niet over bibliotheken - of nauwelijks. Ik noem het opzettelijk een 'verhaal', geen 'lezing'. Lankes is een begenadigd verteller. Al is dit niet meer dan een screencast, het is duidelijk dat Lankes zijn eigen ellende weet om te zetten tot een performance, hilarisch en aangrijpend tegelijkertijd.

De waarheid die hij verkondigt, is zo oud als de straat. Niet voor niets gebruikt hij zelf het woord 'parabel'. Ik zag ze al bij gedreven sporters, las ze al in De Golven, en in blogberichten over managers die het verschil maken. De twintig minuten die Lankes nodig heeft, vragen minder inspanning dan lectuur van Virginia Woolf en hebben meer emotionele diepgang dan de management peptalk.

Maar bovenal - vind ik - is het een waarheid die herhaald moet worden, zeker in tijden dat besparingen en ideologische keuzes heel wat zekerheden op de helling zetten. Het ziet er naar uit ('het ziet er náár uit', was lang geleden de dubbelzinnige frase in een opvoering van Wachten op Godot) dat we sectoren zullen moeten hertekenen en organisaties opnieuw zullen moeten uitvinden.

Laat wie niet weet hoe eraan te beginnen, wie met de handen in het haar zit, moed putten uit deze parabel. Laat ons samen tellen: 'een, twee, drie, vier ...' tot tweeënveertig. En daarna opnieuw. En opnieuw.
 
Parable of the 42 Steps from R. David Lankes on Vimeo.