maandag 22 oktober 2012

De weg naar het goud


De Open Access Week startte met een interessante en uitgebreide studiedag in de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten. De voormiddag begon met Ronkende verklaringen van de Europese Commissie en sloot af met de ondertekening (min of meer toch) van de Brussels Declaration on Open Acces door een federale, een Vlaamse en een Waalse minister. Dat laatste is een klein wonder tegenwoordig en maakte op zich de dag al tot een succes, ook al kunnen we ons afvragen of de tekst ooit meer zal zijn dan een mooie opening van de Open Access Week 2012 in België.

Het belangrijkste inzicht van de dag was voor mij echter van een andere orde. Ik meende het eerst niet goed begrepen te hebben en vroeg het tijdens de lunch (coq au vin, crème brulée ... 'koninklijk' was het wel) dan nog maar even na. En jawel hoor: open access is ongetwijfeld de weg naar het goud, althans de komende jaren nog even en toch voor de - hou u vast - wetenschappelijke uitgevers.

Even een stapje terug. Er heerst al enige tijd een tijdschriftencrisis in wetenschapsland. De prijzen van de wetenschappelijke tijdschriften stijgen veel sneller dan de inflatie en - vooral - dan de budgetten van de wetenschappelijke bibliotheken. Open access zou een oplossing bieden: wetenschappelijke informatie zou gratis beschikbaar worden voor iedereen. De groene weg leidt naar institutionele of thematische repositories waar onderzoekers hun publicaties deponeren na verschijnen (soms na een embargo van enige maanden). Daar zijn ze gratis te consulteren. De gouden weg leidt naar openaccesstijdschriften. De auteur betaalt voor het publiceren, de tijdschriften zelf zijn gratis beschikbaar.

Over die tijdschriften was wel wat te doen: de gevestigde tijdschriften hebben immers een reputatie die afstraalt op de wetenschapper die erin publiceert. Die reputatie is vastgelegd in een ranking en de openaccesstijdschriften hebben het, als 'groentjes' moeilijk om daarin een plaats te veroveren, zodat niemand daarin wil publiceren, zodat ze geen plaats veroveren in de ranking, zodat etc. Gelukkig is er daarvoor nu een oplossing: de hybride tijdschriften. Even eenvoudig als geniaal.

De wetenschappelijke uitgevers stellen hun gevestigde tijdschriften open voor openaccesspublicaties. De auteur betaalt een (aanzienlijke) som zodat zijn artikel vrij toegankelijk wordt voor iedereen. Nu blijft open access toch nog altijd een beperkt verschijnsel. Wetenschappelijke bibliotheken kunnen het zich niet veroorloven om de abonnementen op die hybride tijdschriften op te zeggen. De onderzoekers aan hun instellingen hebben immers ook die artikels nodig die niet in open access verschijnen. Waar de uitgever vroeger alleen abonnementsgeld ontving, heeft hij nu de auteurs zover gekregen dat zij ook betalen, terwijl de abonnementen gewoon blijven doorlopen. En aangezien open access opeens modieus is - de Europese Commissie vaardigde net een aanbeveling (pdf), een 'recommendation' uit, daarmee begon deze dag - komen er extra budgetten vrij om het publiceren in open access mogelijk te maken. Budgetten op zijn minst gedeeltelijk door de gevestigde uitgevers afgeroomd worden.

Ging open access de tijdschriftencrisis oplossen? De gouden weg blijkt alvast voor de uitgevers de weg naar het goud te zijn. Tijd om aandelen te kopen?


dinsdag 16 oktober 2012

iPads in de klas

Het voorbije weekend belandde ik met mijn dochter eerder toevallig op het Lucernacollege in Antwerpen. Voor een inwoner van het Antwerpse suburbia een kleine cultuurshock: slecht onderhouden straten zonder fietspaden, op straat een 'divers' publiek, het college weggestopt achter en boven een grote, ietwat rommelige, handelszaak. Des te opmerkelijker dat de school net begonnen was met een iPad-klas. Een jonge lerares-met-hoofddoek gaf in perfect Nederlands toelichting. De cursussen, niet alle maar een achttal, waren door de leerkrachten zelf in hun vrije tijd aangepast voor de iPad. Beeldmateriaal, links naar internet en Wikipedia, een ingebouwd woordenboek en oefeningen met onmiddellijke feedback voor de leerlingen. Al waren die laatste niet allemaal klaar geraakt. Het bleek toch een heel karwei om de leerstof om te zetten. Maar opeens was mijn dochter wel vol interesse voor Frans. Het toestel wordt aangeschaft door de leerlingen. Wie voor de iPad-klas kiest, hoeft zich voor die cursussen alvast geen boeken meer aan te schaffen. Een besparing in geld en gewicht, aldus de school.

Als ik het multiculturele karakter van school en omgeving wat benadruk, komt dat allicht door het contrast. Ik had het eerder al eens terloops over een gesprek met leerkrachten, vijftigers en onvervalste autochtonen (mogen we deze term nog gebruiken?). Via Facebook communiceren met hun leerlingen vonden ze maar niets. In een later gesprek zou blijken dat ze ook hun bedenkingen hadden bij digitaal lezen. Mijn pleidooi voor de mogelijkheden van e-readers, kon hen niet overtuigen. Dat het - op z'n minst in theorie - mogelijk is om nota's of verwijzingen te delen, leek hen weinig meerwaarde te bieden. Nochtans is dat vaak de manier waarop het werkt: een boek dat verwijst naar een ander, een naam die valt in een biografie, een recensie die een verband legt. Zo surf je van het ene boek naar het andere en misschien blijft het niet bij boeken.

Verrassend dat dit experiment juist hier opgezet wordt, en niet in de 'elitecolleges' van suburbia, waar de kans dat de vaders toch al rondlopen met een tablet zoveel groter is. En vreemd ook dat geen uitgeverij op deze kar springt. Het is nochtans een ideale gelegenheid om een voorsprong te nemen op de concurrentie.

Of het voor de kinderen veel verschil maakt, is moeilijk in te schatten. Er loeren allicht andere gevaren om de hoek, in de plaats van een overbelaste rug: voortdurende afleiding allicht en overdreven surfgedrag. Maar daar staat tegenover: de manier waarop zij leren, met die iPad, is de manier waarop ik werk. En is dat niet een opdracht van ons onderwijsstelsel: onze kinderen voorbereiden op later?

maandag 1 oktober 2012

Gesloten systemen

Op weg naar de bibliotheek, op een mooie zaterdagmiddag aan het begin van de herfst. Zoonlief vraagt waarom hij vorige keer De Hobbit eerst niet en nadien toch wel in de catalogus kon vinden. Het is een vraag waarop je het antwoord schuldig moet blijven: Je zou de zoekactie moeten kunnen zien om te weten wat er gebeurde.

Dertien is hij en meer in de ban van Licia Troisi dan van Tolkien. Hij niet alleen. Een klasgenoot had ontdekt dat er niet alleen Oorlogen en Kronieken van de Verrezen Wereld zijn, maar ook Legenden. Vorige keer nog had zoonlief die opgezocht in de catalogus, maar niet gevonden. Als ik antwoord dat dat komt doordat het boek in onze bib niet aanwezig is, pareert hij meteen door erop te wijzen dat de catalogus ook toelaat om te zoeken in andere bibliotheken. Hem de voor- en nadelen van de provinciale bibliotheeksystemen uitleggen, leek niet meteen aan de orde, maar het maakte mij wel nieuwsgierig. De klasgenoot had het boek gevonden in de bib van zijn gemeente. Het kon best dat die gemeente geen deel uitmaakt van het pbs, maar dat het boek in alle bibliotheken van 'ons' pbs zou ontbreken, leek weinig waarschijnlijk.

Ter plaatse werd veel duidelijk (hoewel). Het eerste deel van de Legenden is niet aanwezig in onze eigen bib, wel in andere pbs-bibliotheken. Maar binnen de muren van onze bib wordt blijkbaar niet getoond in welke bibliotheken dan wel. De bibliotheek van de klasgenoot die in een buurgemeente woont, blijkt overigens niet aangesloten te zijn bij het pbs. Een andere is wel aangesloten en heeft het boek ook in de collectie. Om dat te weten te komen, was wel enig doorzettingsvermogen  nodig. Ik kreeg het gevoel dat we bijna met een illegale zoekactie bezig waren en zo buitengezet konden worden als het bibliotheekpersoneel zou doorkrijgen wat we aan het doen waren.

Zoonlief was best tevreden met de resultaten en mijn summiere uitleg. Zelf bleef ik met meer vragen achter. Waarom worden zoekacties beperkt  tot de eigen bibliotheek, terwijl een pbs doorverwijzen juist gemakkelijker zou moeten maken? Hoe leg je aan een dertienjarige uit dat de ene buurgemeente wel en de andere geen deel uitmaakt van het provinciale bibliotheeksysteem? Maar vooral: waarom zijn onze systemen zo gesloten? In discussies hoor ik wel eens beweren dat¨een gemeenschappelijke bibliotheekkaart weinig meerwaarde biedt. Ik ken alvast één dertienjarige die blij zou zijn met een kaart die hem toeliet een boek van zijn favoriete schrijfster te gaan halen in een buurgemeente. Hij heeft vier bibliotheken binnen fietsbereik. Het dichtste bij die van de buurgemeente aangesloten bij het pbs, terwijl hij minstens een keer per week passeert langs de bib van de klasgenoot.

Mijn zoon is ongetwijfeld een bevoorrechte gebruiker. Maar hij is ook uit zichzelf een enthousiast lezer en bibliotheekbezoeker, die niet veel uitleg nodig heeft om zijn weg te vinden. Een gebruiker ook die zich neerlegt bij de beperkingen van de systemen. Een die uit zichzelf geen gemeenschappelijke bibliotheekkaart zal vragen. Maar er zal voor hem wel een wereld opengaan als die er zou komen.

Het vreemde hier is dat het systeem van nature eigenlijk open is: een venster op het aanbod van een veertigtal bibliotheken, dat binnen één van die bibliotheken weer ingeperkt wordt tot de eigen collectie. Als je als gebruiker echt wilt weten wat er te krijgen is en waar, moet je eigenlijk aan de balie toegang vragen tot een internetpc en de catalogus links laten liggen. Het lijkt me dat er hier iets niet klopt.

En nee, ik noem geen namen van gemeenten. Een beetje informatiespecialist kan met wat puzzelen ongetwijfeld achterhalen waar het verhaal zich afspeelt. Maar het gaat me echt niet om deze bib of dit pbs, wel om andere fundamentele vragen: Weten onze gebruikers zelf wel wat ze willen? En wanneer beginnen we eindelijk eens te denken als netwerk?