maandag 22 oktober 2012

De weg naar het goud


De Open Access Week startte met een interessante en uitgebreide studiedag in de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten. De voormiddag begon met Ronkende verklaringen van de Europese Commissie en sloot af met de ondertekening (min of meer toch) van de Brussels Declaration on Open Acces door een federale, een Vlaamse en een Waalse minister. Dat laatste is een klein wonder tegenwoordig en maakte op zich de dag al tot een succes, ook al kunnen we ons afvragen of de tekst ooit meer zal zijn dan een mooie opening van de Open Access Week 2012 in België.

Het belangrijkste inzicht van de dag was voor mij echter van een andere orde. Ik meende het eerst niet goed begrepen te hebben en vroeg het tijdens de lunch (coq au vin, crème brulée ... 'koninklijk' was het wel) dan nog maar even na. En jawel hoor: open access is ongetwijfeld de weg naar het goud, althans de komende jaren nog even en toch voor de - hou u vast - wetenschappelijke uitgevers.

Even een stapje terug. Er heerst al enige tijd een tijdschriftencrisis in wetenschapsland. De prijzen van de wetenschappelijke tijdschriften stijgen veel sneller dan de inflatie en - vooral - dan de budgetten van de wetenschappelijke bibliotheken. Open access zou een oplossing bieden: wetenschappelijke informatie zou gratis beschikbaar worden voor iedereen. De groene weg leidt naar institutionele of thematische repositories waar onderzoekers hun publicaties deponeren na verschijnen (soms na een embargo van enige maanden). Daar zijn ze gratis te consulteren. De gouden weg leidt naar openaccesstijdschriften. De auteur betaalt voor het publiceren, de tijdschriften zelf zijn gratis beschikbaar.

Over die tijdschriften was wel wat te doen: de gevestigde tijdschriften hebben immers een reputatie die afstraalt op de wetenschapper die erin publiceert. Die reputatie is vastgelegd in een ranking en de openaccesstijdschriften hebben het, als 'groentjes' moeilijk om daarin een plaats te veroveren, zodat niemand daarin wil publiceren, zodat ze geen plaats veroveren in de ranking, zodat etc. Gelukkig is er daarvoor nu een oplossing: de hybride tijdschriften. Even eenvoudig als geniaal.

De wetenschappelijke uitgevers stellen hun gevestigde tijdschriften open voor openaccesspublicaties. De auteur betaalt een (aanzienlijke) som zodat zijn artikel vrij toegankelijk wordt voor iedereen. Nu blijft open access toch nog altijd een beperkt verschijnsel. Wetenschappelijke bibliotheken kunnen het zich niet veroorloven om de abonnementen op die hybride tijdschriften op te zeggen. De onderzoekers aan hun instellingen hebben immers ook die artikels nodig die niet in open access verschijnen. Waar de uitgever vroeger alleen abonnementsgeld ontving, heeft hij nu de auteurs zover gekregen dat zij ook betalen, terwijl de abonnementen gewoon blijven doorlopen. En aangezien open access opeens modieus is - de Europese Commissie vaardigde net een aanbeveling (pdf), een 'recommendation' uit, daarmee begon deze dag - komen er extra budgetten vrij om het publiceren in open access mogelijk te maken. Budgetten op zijn minst gedeeltelijk door de gevestigde uitgevers afgeroomd worden.

Ging open access de tijdschriftencrisis oplossen? De gouden weg blijkt alvast voor de uitgevers de weg naar het goud te zijn. Tijd om aandelen te kopen?


dinsdag 16 oktober 2012

iPads in de klas

Het voorbije weekend belandde ik met mijn dochter eerder toevallig op het Lucernacollege in Antwerpen. Voor een inwoner van het Antwerpse suburbia een kleine cultuurshock: slecht onderhouden straten zonder fietspaden, op straat een 'divers' publiek, het college weggestopt achter en boven een grote, ietwat rommelige, handelszaak. Des te opmerkelijker dat de school net begonnen was met een iPad-klas. Een jonge lerares-met-hoofddoek gaf in perfect Nederlands toelichting. De cursussen, niet alle maar een achttal, waren door de leerkrachten zelf in hun vrije tijd aangepast voor de iPad. Beeldmateriaal, links naar internet en Wikipedia, een ingebouwd woordenboek en oefeningen met onmiddellijke feedback voor de leerlingen. Al waren die laatste niet allemaal klaar geraakt. Het bleek toch een heel karwei om de leerstof om te zetten. Maar opeens was mijn dochter wel vol interesse voor Frans. Het toestel wordt aangeschaft door de leerlingen. Wie voor de iPad-klas kiest, hoeft zich voor die cursussen alvast geen boeken meer aan te schaffen. Een besparing in geld en gewicht, aldus de school.

Als ik het multiculturele karakter van school en omgeving wat benadruk, komt dat allicht door het contrast. Ik had het eerder al eens terloops over een gesprek met leerkrachten, vijftigers en onvervalste autochtonen (mogen we deze term nog gebruiken?). Via Facebook communiceren met hun leerlingen vonden ze maar niets. In een later gesprek zou blijken dat ze ook hun bedenkingen hadden bij digitaal lezen. Mijn pleidooi voor de mogelijkheden van e-readers, kon hen niet overtuigen. Dat het - op z'n minst in theorie - mogelijk is om nota's of verwijzingen te delen, leek hen weinig meerwaarde te bieden. Nochtans is dat vaak de manier waarop het werkt: een boek dat verwijst naar een ander, een naam die valt in een biografie, een recensie die een verband legt. Zo surf je van het ene boek naar het andere en misschien blijft het niet bij boeken.

Verrassend dat dit experiment juist hier opgezet wordt, en niet in de 'elitecolleges' van suburbia, waar de kans dat de vaders toch al rondlopen met een tablet zoveel groter is. En vreemd ook dat geen uitgeverij op deze kar springt. Het is nochtans een ideale gelegenheid om een voorsprong te nemen op de concurrentie.

Of het voor de kinderen veel verschil maakt, is moeilijk in te schatten. Er loeren allicht andere gevaren om de hoek, in de plaats van een overbelaste rug: voortdurende afleiding allicht en overdreven surfgedrag. Maar daar staat tegenover: de manier waarop zij leren, met die iPad, is de manier waarop ik werk. En is dat niet een opdracht van ons onderwijsstelsel: onze kinderen voorbereiden op later?

maandag 1 oktober 2012

Gesloten systemen

Op weg naar de bibliotheek, op een mooie zaterdagmiddag aan het begin van de herfst. Zoonlief vraagt waarom hij vorige keer De Hobbit eerst niet en nadien toch wel in de catalogus kon vinden. Het is een vraag waarop je het antwoord schuldig moet blijven: Je zou de zoekactie moeten kunnen zien om te weten wat er gebeurde.

Dertien is hij en meer in de ban van Licia Troisi dan van Tolkien. Hij niet alleen. Een klasgenoot had ontdekt dat er niet alleen Oorlogen en Kronieken van de Verrezen Wereld zijn, maar ook Legenden. Vorige keer nog had zoonlief die opgezocht in de catalogus, maar niet gevonden. Als ik antwoord dat dat komt doordat het boek in onze bib niet aanwezig is, pareert hij meteen door erop te wijzen dat de catalogus ook toelaat om te zoeken in andere bibliotheken. Hem de voor- en nadelen van de provinciale bibliotheeksystemen uitleggen, leek niet meteen aan de orde, maar het maakte mij wel nieuwsgierig. De klasgenoot had het boek gevonden in de bib van zijn gemeente. Het kon best dat die gemeente geen deel uitmaakt van het pbs, maar dat het boek in alle bibliotheken van 'ons' pbs zou ontbreken, leek weinig waarschijnlijk.

Ter plaatse werd veel duidelijk (hoewel). Het eerste deel van de Legenden is niet aanwezig in onze eigen bib, wel in andere pbs-bibliotheken. Maar binnen de muren van onze bib wordt blijkbaar niet getoond in welke bibliotheken dan wel. De bibliotheek van de klasgenoot die in een buurgemeente woont, blijkt overigens niet aangesloten te zijn bij het pbs. Een andere is wel aangesloten en heeft het boek ook in de collectie. Om dat te weten te komen, was wel enig doorzettingsvermogen  nodig. Ik kreeg het gevoel dat we bijna met een illegale zoekactie bezig waren en zo buitengezet konden worden als het bibliotheekpersoneel zou doorkrijgen wat we aan het doen waren.

Zoonlief was best tevreden met de resultaten en mijn summiere uitleg. Zelf bleef ik met meer vragen achter. Waarom worden zoekacties beperkt  tot de eigen bibliotheek, terwijl een pbs doorverwijzen juist gemakkelijker zou moeten maken? Hoe leg je aan een dertienjarige uit dat de ene buurgemeente wel en de andere geen deel uitmaakt van het provinciale bibliotheeksysteem? Maar vooral: waarom zijn onze systemen zo gesloten? In discussies hoor ik wel eens beweren dat¨een gemeenschappelijke bibliotheekkaart weinig meerwaarde biedt. Ik ken alvast één dertienjarige die blij zou zijn met een kaart die hem toeliet een boek van zijn favoriete schrijfster te gaan halen in een buurgemeente. Hij heeft vier bibliotheken binnen fietsbereik. Het dichtste bij die van de buurgemeente aangesloten bij het pbs, terwijl hij minstens een keer per week passeert langs de bib van de klasgenoot.

Mijn zoon is ongetwijfeld een bevoorrechte gebruiker. Maar hij is ook uit zichzelf een enthousiast lezer en bibliotheekbezoeker, die niet veel uitleg nodig heeft om zijn weg te vinden. Een gebruiker ook die zich neerlegt bij de beperkingen van de systemen. Een die uit zichzelf geen gemeenschappelijke bibliotheekkaart zal vragen. Maar er zal voor hem wel een wereld opengaan als die er zou komen.

Het vreemde hier is dat het systeem van nature eigenlijk open is: een venster op het aanbod van een veertigtal bibliotheken, dat binnen één van die bibliotheken weer ingeperkt wordt tot de eigen collectie. Als je als gebruiker echt wilt weten wat er te krijgen is en waar, moet je eigenlijk aan de balie toegang vragen tot een internetpc en de catalogus links laten liggen. Het lijkt me dat er hier iets niet klopt.

En nee, ik noem geen namen van gemeenten. Een beetje informatiespecialist kan met wat puzzelen ongetwijfeld achterhalen waar het verhaal zich afspeelt. Maar het gaat me echt niet om deze bib of dit pbs, wel om andere fundamentele vragen: Weten onze gebruikers zelf wel wat ze willen? En wanneer beginnen we eindelijk eens te denken als netwerk?

maandag 17 september 2012

Materieel? Immaterieel? Erfgoed?

Vrijdag lanceerde minister Schauvliege de databank Immaterieel Cultureel Erfgoed: www.immaterieelerfgoed.be (nee, nog geen www.immaterieelerfgoed.vlaanderen). "Het platform toont de rijkdom van dit erfgoed in Vlaanderen en hoe groepen mensen dit erfgoed koesteren. En het brengt mensen hier rond samen." zo luidt het op de homepage. De lancering roept wel wat vragen op.

'Borgen' was de term die gebruikt werd als alternatief voor 'beschermen'. Het gaat om verhalen, kennis, vaardigheden, tradities die in ere gehouden moeten worden en doorgegeven. Er moet een gemeenschap rond bestaan die daarvoor zorgt. Fixeren heeft geen zin (hoewel, zie verder). Het borgen bleek uiteindelijk betrekking te hebben zowel op het documenteren als op het in stand houden en doorgeven.

De term 'erfgoed' zorgde daarbij al voor enige problemen . Waarom zou een bloeiende gemeenschap rond een levende traditie deze als erfgoed bestempelen, als iets dat te borgen valt? Tenzij natuurlijk die traditie bedreigd is en de gemeenschap aanvoelt dat ze op termijn verdwijnen zal. Het doen herleven van dode tradities bleek niet de bedoeling. Maar hoe zit het dan met bedreigde tradities? Waarom stimuleren we gemeenschappen om ze in ere te houden als ze misschien hun tijd wel gehad hebben? Zijn trouwens niet sommige tradities uitingen van ideeën en visies die hun tijd wel gehad hebben, of zelfs best maar zo snel mogelijk verdwijnen?

Documenteren is dan toch wel gepast. De gevalstudies toonden aan dat het ook gebeurt. Archiefinstellingen verzamelen foto's en documenten. Zo bleek het immateriële erfgoed dan toch vaak een materiële component te hebben. En als die er niet spontaan is - in de archieven bijvoorbeeld van de erfgoedgemeenschap - dan wordt die wel aangemaakt door de erfgoedprofessionals die eromheen zwerven en smeken om foto's en filmpjes en getuigenissen. Het klassieke werk dus van de bewaarinstellingen, al was selectie niet onmiddellijk aan de orde. Het verzamelen van zoveel mogelijk objecten, daar had je het al eens eerder over.

Maar het gaat natuurlijk om meer. Misschien blijkt dat nog duidelijker bij kennis en vaardigheden dan bij tradities. Wat als er nog maar één man of vrouw is die een specifieke techniek beheerst? Opnieuw is documenteren dan een stap. Doorgeven is allicht belangrijker. Maar dat kan alleen maar als er geïnteresseerden zijn. En als de techniek nog een nut heeft..Hier doen we dan toch de tijd stilstaan. De vraag is niet of het beter kan, efficiënter of goedkoper. De vraag is of het precies zó kan, zoals vroeger.

Tussen dat alles door de vraag of er wel gearchiveerd wordt. Er wordt gedocumenteerd en - onder meer op de nieuwe website - geregistreerd, maar wordt dat alles ook duurzaam bewaard? Blijft het toegankelijk? Of is het een hype? De erfgoedwerkers straks weer elders aan de slag, de foto's en de filmpjes zwevend ergens in cyberspace? Blijft straks alleen wat in de klassieke bewaarinstellingen verzeilde?

En terwijl je zo kritisch kijkt naar dat nieuwe beleidsdomein - waarin overigens mensen werken voor wie je veel waardering koestert - berichten de nieuwskanalen (Twitter! Facebook! deredactie.be!) over rellen in Borgerhout en dat nog wel tijdens de feesteditie van de reuzenstoet. Immaterieel erfgoed (hoewel: die reuzen ...), botsende identiteiten en een woelige toekomst. En dan zie je dat Fatima meeloopt: de reuzin met de hoofddoek. Van een levende traditie gesproken. Het borgen lijkt hier alvast geslaagd.

woensdag 4 juli 2012

Transitie

Of ik een foto wou meebrengen, want iedereen moet een persoonlijke blog maken. En of ik een verhaal wilde schrijven over de toekomst van de bibliotheek. We gaan namelijk met zijn veertig nadenken over de toekomst van de openbare bibliotheek, tweeëneenhalve dag lang. In the middle of nowhere. Veertig verhalen, veertig mensen, afgesloten van de (boze?) buitenwereld. Hebben we dat niet nog gehoord?

Gemengde gevoelens: op mijn verhaal valt wel één en ander aan te merken (ja, doet u maar), op mijn foto allicht ook. Bloggen doe ik al, maar of het de bedoeling is dat ik deze blog voor dit gebeuren gebruik, valt ernstig te betwijfelen. De afmeting van de foto werd immers in centimeters uitgedrukt, niet in pixels. (Een blog op papier? Vroeger heette dat een dagboek). De groep die mag nadenken, is uitgebreid. De bibliothecarissen zijn in de minderheid. Het traject waar dit evenement deel van uitmaakt, is vaag en onduidelijk. Over het aspect duurzaamheid ga ik even zwijgen (of toch niet: één trein, twee bussen en een belbus zou ik nodig gehad hebben om met het openbaar vervoer ter bestemming te geraken. De belangstelling voor carpoolen leek beperkt).

In het verdere verloop is sprake van mogelijke 'transitiearena's'.
"In een transitie-arena brengt men vernieuwingsgezinde visionaire koplopers en mensen met invloed bij elkaar om een ernstig probleem en mogelijke oplossingen daarvoor te bekijken. Uit deze oefening ontstaat een door de partijen gedeelde probleemanalyse, die de basis vormt voor een duurzaamheidsvisie (Leitbild). Dit leidt tot transitiemanagement, waarin de vage en algemene principes van het Leitbild vertaald worden naar meer concrete transitiebeelden binnen bepaalde deeldomeinen."
aldus het Transienetwerk Vlaanderen. Maar als ik die omschrijving lees, dan lijkt de Decamerone waar ik nu naartoe trek een transitiearena. Met de bibliotheek als probleem? Wat de oplossing daarvoor is, leest u dan maandag op deze blog? Weinig waarschijnlijk.
"Een transitie is een structurele verandering die het resultaat is van op elkaar inwerkende en elkaar versterkende ontwikkelingen op het gebied van bijvoorbeeld economie, cultuur, technologie, instituties en natuur en milieu"
zegt Wikipedia. Niet iets dat je op een-twee-drie realiseert dus.

We zijn in elk geval mee met de laatste terminologische mode. Of het ergens toe leidt, zal moeten blijken




dinsdag 3 juli 2012

Het verleden van de toekomst

Op een bepaald moment heb je het allemaal al eens meegemaakt. Hoe dichter mijn pensioen nadert, hoe vaker dat gevoel me overvalt. Ik merk dat ik steeds vaker terugblik. Tijd dus stilaan om het over te laten aan een jongere generatie die de toekomst nog voor zich heeft. Toch ben ik gevraagd om te schrijven over de toekomst van de bibliotheek. Nog eens. 2040 is het perspectief deze keer. 'Daar heeft al eens iemand een boek over gemaakt', heb ik nog willen antwoorden, maar uiteindelijk was ik te ijdel om 'nee' te zeggen.

Het is ook wel gemakkelijk, als ik het probleem overdenk. De inleiding kan ik zo recupereren van eerder werk. In de toekomst kijken is nog altijd ofwel een visioen, zoals in dat boek, ofwel een doorgedreven analyse van het heden. In beide gevallen is het fictie. Of toch niet helemaal? De 'recombinant library services' waar Lorcan Dempsey het in 2002 al over had, gestage evolutie van de e-readers, de crisis van de jaren '10, waren ze niet allemaal in de grote lijnen te voorzien?

Wilden we het wel zien? Ik kan me niet herinneren dat iemand in 2010 voorspelde dat de financiële crisis in de tweede helft van dat decennium versterkt zou worden door de grondstoffencrisis, met als resultaat de grootste depressie van de Europese economie sinds mensenheugenis. Besparingen alom. Een sociaal bloedbad was niet te vermijden. Achteraf bekeken heeft de crisis een heilzame werking gehad, maar op het moment zelf was het voor veel mensen doffe ellende.

Op zoek naar achtergrondinformatie voor mijn artikel trek ik naar het Marktplein op Facebook. Ik 'loop' er binnen bij de bibliotheek en chat even met de bibliotheekmedewerker van dienst. Hij verwijst me door naar enkele overheidssites met statistieken en prognoses en raadt me een wetenschappelijke bron aan die ik alleen ter plaatse kan raadplegen. Sinds de wetenschappelijke informatievoorziening vanuit Århus geregeld wordt, bieden ook de openbare bibliotheken toegang, maar alleen in de eigen gebouwen.

Århus. Zoals altijd, nam de EU de juiste beslissingen maar op een moment dat het echt niet anders meer kon. In 2000 al wilde Europa de meest concurrentiële en dynamische kenniseconomie in de wereld worden. Van die Lissabonstrategie is niet veel in huis gekomen. Pas in volle crisis, werden de akkoorden van Århus gesloten. De strategie achter de akkoorden was duidelijk: de Århuslanden kozen resoluut voor duurzaamheid en kennisdeling. Kennis is de enige grondstof waarover Europa in ruime mate beschikt. De acute grondstoffencrisis maakte duurzaamheid opeens een absolute noodzaak.

Voor de bibliotheeksector had Århus verregaande gevolgen. In alle aangesloten landen werd open access de verplichte publicatiewijze voor wetenschappers en onderzoekers. Het verzet van de wetenschappelijke uitgevers tegen de maatregel was beperkt. De meeste verkeerden in grote moeilijkheden omdat de universiteiten drastisch moesten besparen. Toegang tot wetenschappelijke informatie was voor vele kleinere instellingen bijzonder problematisch geworden. Vreemd genoeg had juist Elsevier de bui zien hangen. Het bedrijf maakte een spectaculaire reconversie door en ontpopte zich tot een belangrijke openaccessuitgever. Het bouwde een zoekomgeving voor openaccesspublicaties en wetenschappelijke datasets die toonaangevend werd. De omzet slonk wel tot een fractie van wat die vroeger was.

Vanuit het virtuele filiaal op Facebook reserveer ik een werkplek in de centrale bib. Ik heb geluk, de wachttijd bedraagt maar tien dagen. De werkplekken zijn populair en vaak moet je drie weken of langer op voorhand reserveren. Ik log nog even in op 'mijn bibliotheek' en overloop de aanbevelingen, de lectuur die ik als interessant gemarkeerd had, mijn nota’s bij wat ik gelezen heb. Ik merk dat er toch nog een paar papieren boeken bij zijn die ik nodig heb. Ik laat ze klaarleggen in het servicepunt hier vlakbij.

De Århuslanden legden de productie van papieren boeken en tijdschriften aan banden. Er kwamen productiequota. De btw op papieren informatiedragers werd verhoogd tot het tarief voor luxeproducten, dat op elektronische informatiedragers verlaagd. Op die manier konden ze geleidelijk besparen op energie en grondstoffen. De maatregel was niet onbesproken. Drukkerijen en grafische industrie argumenteerden dat de toestellen die iedereen nu absoluut nodig had, meer energie en grondstoffen vereisten. De impact op productie en distributie was enorm en in het begin leken de maatregelen de crisis alleen maar te verergeren. Ze vereisten ook sociale maatregelen, want zelfs in 2015 had nog niet iedereen toegang tot het internet. Met een resultaatsgericht actieplan moesten scholen en bibliotheken de digitale kloof definitief dichten. De deadline is inmiddels verstreken, de klus – zoals te verwachten - nog altijd niet definitief geklaard.

Als ik de dag nadien naar het onbemande servicepunt loop, passeer ik de pop-upbibliotheek. De modules zijn netjes uitgestald op het plein. Er staat veel volk te bladeren in de boeken. Sinds papier meer en meer een luxeproduct wordt, winnen de 'oude' boeken aan aantrekkingskracht. Voor de bibliotheekmedewerkers is het een gedroomde aanleiding om mensen te wijzen op het elektronische aanbod van de bib, op de workshops en de cursussen en zelfs om ter plekke met hen op zoek te gaan naar informatie. Want dit verplaatsbare filiaal biedt uiteraard toegang tot het hele aanbod.

In het servicepunt haal ik mijn gereserveerde boeken af. Ik grasduin er in het aanbod aan e-books. Århus regelde, eindelijk, een leenrecht voor e-books, maar met strikte beperkingen. Binnen de gebouwen van de bib kan je het hele aanbod raadplegen, maar je kan maar een beperkt aantal boeken lenen per maand. Het komt er dus op aan om een goede selectie te maken. Ik haal een tas koffie uit de automaat en zoek een van de laatste vrije zitplaatsen op. Terwijl ik me installeer, bedenk ik dat ik meer aan de voorbije tijd heb lopen denken dan aan de toekomst. Het wordt toch echt wel tijd om pensioen te gaan en het over te laten aan een nieuwe generatie.

zondag 24 juni 2012

Duurzaamheid in het lokaal cultuurbeleid. Veel geblaat, weinig wol?


De LOCUStoer laat me achter met een onvoldaan gevoel - en dat heeft niet te maken met een gebrek aan broodjes tijdens de lunch. De dag aankondigen onder de (onder)titel 'Naar een duurzaam lokaal cultuurbeleid' schept verwachtingen, zeker voor wie al een tijdje op zoek is naar interessante invalshoeken rond dit thema voor bibliotheken en archieven. Uiteindelijk strandde het toch allemaal bij de  - jawel - openingsspeech van Peter Tom Jones die ons allen een sense of urgency moest bijbrengen. Wat hij overigens met verve deed.

Er was natuurlijk nog de queeste naar de duurzame ziel van de culturele sector van socioloog Yves Deweerdt. Waarom het publiek vanop het podium het verhaal moest volgen, was niet zo duidelijk. Of toch, natuurlijk: een symbolische weergave van de overbevolking die ons te wachten staat. En een poging allicht ook om discussie op gang te brengen. Maar als dat de bedoeling was, is het experiment wel mislukt. Het is ook een gevaarlijk spelletje: een externe - in dit geval socioloog die werkt rond transitie in een technologische omgeving - uitspraken laten doen over lokaal cultuurbeleid voor een publiek van cultuurprofessionals. Het risico dat de uiteenzetting verzandt in algemeenheden en evidenties, of erger nog: clichés, is erg groot. Ergerlijk wordt het als de discussie stoelt op sofismen, hoe goed bedoeld ze ook zijn. Berekenen hoeveel CO2-uitstoot bibliotheken besparen door boeken uit te lenen en dus te hergebruiken, is ongeveer hetzelfde als uitrekenen hoeveel CO2-uitstoot de aanwezigen op de studiedag bespaarden doordat ze niet met de auto reden terwijl ze naar de lezing luisterden. Als we elke dag geen boek kopen van 20 euro, hebben we aan het einde van de maand 600 euro gespaard, toch?

Focus heet de gezamenlijke nieuwsbrief van Bibnet en LOCUS en focus was wat er ontbrak op deze LOCUStoer. Van de acht parallelsessies ging er welgeteld eentje over duurzaamheid. Zeven behandelden dus andere onderwerpen en ook in het tooggesprek na de middag over Publieke Werken bleven termen als 'transitie', 'klimaat' en 'duurzaamheid' onbenut. Tenzij we duurzaamheid breed interpreteren en het ook gewoon het voortbestaan van organisaties inhoudt. Maar dan verliest het alle betekenis. We zijn dan altijd met zijn allen in 'transitie' van het verleden naar het heden, leven 'duurzaam' zolang ons leven duurt.

Allicht neem ik het allemaal te ernstig en moest het geheel toch onderhoudend en licht verteerbaar blijven. Maar is de hele klimaatkwestie dan niet belangrijk genoeg om met enige ernst te behandelen? Dat was toch de boodschap van Peter Tom Jones? En mogen we van ons steunpunt niet verwachten dat het wat meer doet dan alleen maar het probleem vaststellen?

Maar misschien valt LOCUS weinig te verwijten. Het hele debat over cultuur als motor voor transitie naar een rechtvaardige duurzaamheid blijft abstract en theoretisch. Het atelier Ecocultuur (pdf) mag dan twee jaar geleden mooie doorbraken geformuleerd hebben, van een echt voortgangsrapport is er op het Cultuurforum 2020 geen sprake. De cultuursector wordt op alle domeinen gevraagd om indicatoren te ontwikkelen om te meten of de doelstellingen gerealiseerd zijn, maar van transitie-indicatoren heb ik nog niet gehoord. De acties die ondernomen worden, zijn gefragmenteerd, kleinschalig, nauwelijks zichtbaar. Een enkele keer teleurstellend, zoals bij de organisatie die begon te meten en moest vaststellen dat haar ecologische voetafdruk alleen maar toenam.

Maar misschien valt de cultuursector weinig te verwijten. Want hoe is het mogelijk dat je woont en werkt in een Vlaamse stad die drie jaar geleden de ambitie formuleerde om tegen 2020 20% minder CO2 uit te stoten, zonder dat je ook maar iets merkt van maatregelen die daartoe genomen worden? En die Vlaamse stad heeft dan nog ambitie, iets wat je van de klimaatconferentie in Rio niet kan zeggen.

We leven in economisch moeilijke tijden. Never waste a good crisis, was de titel van één van de workshops op de LOCUStoer. Straks, na de verkiezingen, mogen nieuwe besturen zich buigen over nieuwe besparingen. Als het erop aan komt harde keuzes te maken, zo was tijdens de receptie op de LOCUStoer hier en daar te horen, zijn de maatregelen rond duurzaamheid de eerste die sneuvelen.

Maar zijn we daar niet ook zelf schuldig aan? Neem je de fiets of het openbaar vervoer als het met de auto twee keer sneller gaat? Hoeveel meer wil je uitgeven aan apparaten die minder verbruiken? Wat wil je inboeten aan inhoudelijke werking om toch die maatregelen rond duurzaamheid te kunnen inplannen? Transitie mag dan een positief verhaal zijn - kiezen voor de toekomst van onze kinderen - het is een verhaal dat onvermijdelijk ook (pijnlijke) keuzes inhoudt.

Wie helpt ons die keuze te maken? Hoe we onze gebruikers meer kunnen laten betalen, daarover wordt het debat aangewakkerd. Wat duurzaamheid ons mag kosten, die discussie gaan we vooralsnog uit de weg. Mag het een criterium zijn bij collectievorming, bijvoorbeeld? Wat is de ecologische voetafdruk van zichtzendingen? Is digitaal ecologisch beter verantwoord dan analoog? (Wie hierop zonder nadenken 'ja' antwoordt, leest best het artikel van Corina Koolen in Boekman 90 eens). Wie brengt onze werkprocessen in kaart en zoekt uit waar duurzame winst mogelijk is? Tijdens de LOCUStoer alvast geen woord over verdere opvolging van het thema.

Voor bibliotheken en archieven was er al een aanzet en komt er zeker nog meer. De VVBAD organiseert op 20 september een Focus op duurzame bibliotheken en archieven. Dat de focus daar weldegelijk op duurzaamheid ligt, mag duidelijk blijken uit het programma. Of de resultaten concreet, bruikbaar en 'duurzaam' zullen zijn, zal afhangen van de deelnemers. De bedoeling is immers om de dag zelf een eerste set van aanbevelingen te formuleren. Die kunnen gericht zijn op het beleid of op de sector zelf. Ook organisaties als LOCUS of de VVBAD kunnen dus aangesproken worden. In elk geval: meer dan een bescheiden eerste stap, zal het niet zijn.


vrijdag 20 april 2012

De mythe van de mutatie

Over De barbaren van Baricco


Het was een enigszins surrealistische, barbaarse avond in het Legermuseum. Het programma was versnipperd; in plaats van hapjes met zalm waren er frieten - en dan nog te weinig ook; de timing was een ramp. Toch bleef het allemaal beschaafd. Zelfs de tanks, de vliegtuigen en de uniformen uit de Eerste Wereldoorlog stonden netjes uitgestald. De verschrikking van de zuivere destructie was in geen velden of wegen te bekennen.

Barbaren
In het centrum van de belangstelling stonden De barbaren van Alessandro Baricco, een boek dat ook bij een tweede lectuur onbehagen en irritatie opwekte, maar toch intrigerend genoeg is om een avond door te brengen in gezelschap van veel schoon volk.

Baricco schreef De barbaren als een vervolgreeks in de krant, op negentiende eeuwse wijze, zeg maar. De stukken werden samengebracht in een boek, niet of nauwelijks geredigeerd. Dat is er dan ook aan te merken. Baricco wisselt voortdurend van perspectief. Sympathiseert hij het ene moment met de beschaving die teloorgaat, het volgende moment staat hij met de barbaren te juichen op de ruïnes. De aard van het thema kan dat misschien nog enigszins goedpraten, maar voor een boek dat pretendeert een grondige analyse te brengen, is het behoorlijk irritant. Wie van mening is dat ik onvoldoende gemuteerd ben om de tactiek van Baricco te begrijpen, moet vooral voort lezen.

Verleden
De organisatoren hadden ervoor gekozen om voortdurend even interessante sessies parallel te programmeren, zodat het beschaafde publiek voor barbaars onmogelijke keuzes stond. In één van die sessies wees Pascal Gielen erop dat de Italiaan de redeneringen van Walter Benjamin over de relatie tussen techniek, cultuur en - in mindere mate - politiek herneemt. De veranderingen in onze samenleving die Baricco beschrijft, krijgen daarmee een historische dimensie: wat bij Benjamin de massamedia zijn, wordt bij Baricco het internet. En juist die historische dimensie is het meest irriterende aspect in het boek van Baricco.

Baricco doet er lang over om zijn motto te kiezen. Hij heeft er uiteindelijk vier nodig om zijn punt te maken. Zij vertellen een verhaal. Samengevat: de vrees voor de barbaren is van alle tijden, maar wat er nu aankomt, heeft een andere dimensie. De boodschap is dus dubbel: dit komt vaker voor - Beethoven was een barbaar toen hij zijn negende symfonie presenteerde aan het publiek - maar wat nu gebeurt, is uniek.

In dat verhaal maakt Baricco geen onderscheid tussen de processen achter deze voortdurende vernieuwing - Gielen sprak van creatieve destructie - en de resultaten ervan. Beschrijft hij in het eerste deel de processen, dan volgt in het tweede een beschrijving van de 'beschaving' en in het derde dat van de barbarij. De processen zijn onder meer: technologische vernieuwing, streven naar spectaculariteit, taalvernieuwing, verruiming van het publiek. Er is allicht een Italiaanse krant met een ruim budget nodig (bestaan die nog?), die een journalist aan het werk kan zetten voor enkele maanden om aan te tonen dat die processen van alle tijden zijn.

Maak de denkoefening maar. De Vlaamse primitieven, kunnen dank zij een technologische vernieuwing (olieverf) een nieuwe - meer realistische - vormtaal ontwikkelen die spectaculaire resultaten (de bloemetjes en de bijtjes op het Lam Gods) oplevert en een nieuw doelpubliek - een opkomende burgerij - bereikt die 'gelieerd is aan het heersende culturele model'. Voilà, exact wat Baricco beschrijft, en wel ruim zes eeuwen voor onze mutatie. En na een recent bezoek aan Rome ben ik geneigd om te stellen dat er rond het Colosseum ongetwijfeld een gelijkaardige redenering ontwikkeld kan worden.



Toekomst
Baricco maakte een opmerkelijke entree, daar op de soirée barbare in het Legermuseum. Een bijzondere omgeving, zo vond hij zelf, voor een activiteit rond zijn boek. Het museum is immers een 'lieu de mémoire', terugblikkend op het verleden, terwijl zijn boek kijkt naar wat er nu gebeurt, naar wat er op ons afkomt, naar de toekomst.

Helaas, naar de toekomst kijken, is nu net wat hij niet of nauwelijks doet. In het beste geval beschrijft hij wat er aan de hand is. Hij doet dat op een behoorlijk dubbelzinnige manier. Enerzijds probeert hij in zijn boek het 'volledige dier' te vatten. We zullen dus na lezing van zijn boek begrijpen wat er echt aan de hand is. Anderzijds stelt hij dat het om een mutatie gaat, wat dan weer een onoverbrugbaar verschil inhoudt. En ons meteen ook ontslaat van de verplichting om de veranderingen niet alleen te begrijpen, maar er ook in mee te gaan. En op het einde stelt hij ons weer gerust: we zijn allemaal een beetje gemuteerd. Dat is toch ook al iets.

Dan zie ik weer het beeld voor mij van die leerkrachten met een mooie staat van dienst (om het netjes uit te drukken), die zich op de borst slaan omdat ze niet kunnen sms'en en die smalend doen over hun jongere collega's die op Facebook chatten met hun leerlingen. Wie leert dan onze kinderen te overleven in deze snel veranderende samenleving?

De uiteenzetting van Ronald Soetaert landde bij een gesprek over horizontaliteit en verticaliteit: netwerk en diepgang, zeg maar. Het deed denken aan de limieten van Peter Hinssen, die in Digitaal is het nieuwe normaal probeert vooruit te denken. De limiet van lengte is nul. Informatie wordt steeds korter. Een twitterbericht mag nog 140 tekens lang zijn, bij Pinterest gaat het alleen nog om een beeld. Maar de limiet van diepte is oneindig: wie in een onderwerp geïnteresseerd is (en de juiste toegang vindt) kan op internet veel meer informatie vinden dan we nog niet zo lang geleden voor mogelijk hielden. Ook die spanning tussen diepgang en netwerk is van alle tijden. Kreeg onze moderne wetenschap geen vorm in monografieën (diepgang), gegroeid uit een voortdurende correspondentie en uitwisseling?

Mythe
Dat de veranderingen snel gaan en alsmaar sneller, zal niemand ontkennen. Of ze een historische dimensie hebben en horen bij de kern van de Westerse beschaving, zijn interessante vragen.
Wat we ermee kunnen doen, is nog veel interessanter. Kunnen we bijvoorbeeld diepgang creëren door het netwerk uit te buiten? Zijn er mogelijkheden om leren, spelen en creëren samen te brengen in nieuwe verbanden?
Maar een mutatie? Ik zie ze niet. 
De mythe van de mutant creëert stilstand. Mij interesseert de dynamiek. En u?

donderdag 19 april 2012

Lezen als emotie

Studiedag leesbevordering
De grote verleiding
Den Bell, Antwerpen - 2 februari 2012

“Sommige passages heb ik overgeslagen,” bekende leesjuf Hedwige Buys. “Ze waren te hard om voor te lezen.” Eerder op de dag had een andere spreker al aangegeven dat ze Tonio, het boek van A.F.Th. van der Heijden over zijn zoon die omkwam in een verkeersongeval nog niet had durven lezen. Emoties, daar draaide het wel vaker om op deze studiedag over leesplezier.

“Vanwaar halen kinderen een ‘gout de lire’?” was de centrale vraag. Antropologe Michèle Petit putte uit haar ervaring om een — emotioneel — lijstje op te stellen. ‘Si le livre vit avec la famille’, dan gaat het bijna vanzelf. Maar er was uiteraard meer. Mysterie, bijvoorbeeld, het vreemde, het onbegrepene, maar ook nabijheid en vertrouwdheid, zoals in de stem die voorleest. Identificatie: waarom straalt moeder zo vreemd wanneer ze dat boek over een ongelukkige liefde leest? Maar ook de esthetiek die schuilt in het nutteloze van de taal: de zuivere klanken, rijm, ritme, melodie. Lezen, zoals ook niet-lezen, kan een daad van verzet zijn. En als er geen boeken in huis ‘leven’, dan wordt het persoonlijke contact nog veel belangrijker. Een ontmoeting, kort of lang, kan een leven veranderen. Le passeur, de culturele veerman, maar ook de smokkelaar, bleef de hele dag nadrukkelijk aanwezig.

Veel projecten passeerden de revue. Er was een heuse markt opgezet in de
foyer van Den Bell in Antwerpen en Stichting Lezen van Vlaanderen en die van Nederland toonden aan dat ze voor elke leeftijdsgroep wel iets te bieden  hebben. De klemtoon lag op de allerkleinsten, want je kan niet vroeg genoeg beginnen. De bibliotheekwetten van Ranganathan werden niet genoemd, maar “elke lezer zijn boek” was wel een terugkomend thema. Als lezen een plicht wordt, komt het plezier nooit. Het PISA-onderzoek wijst uit dat Vlaanderen en Nederland hoog scoren op technische leesvaardigheid, maar bijzonder laag op leesmotivatie. Een bevinding die Majo de Saedeleer, directeur van Stichting Lezen in Vlaanderen, nuanceerde, want uit de participatiesurvey blijkt dan weer dat er meer gelezen wordt dan vroeger, en dat juist door jongeren. De waarde van lezen wordt trouwens hoog ingeschat. Vakantie is de kostbaarste tijd die we hebben, de tijd die we zelf kunnen besteden zoals we willen. En laat er nu net dán veel gelezen worden.

Bart Moeyaert mocht afsluiten met een verhaal over familie, over schrijven, over verleiden. “Laat u niet misleiden” was zijn boodschap. Soms probeer je te verleiden, zonder succes. Dat betekent echter niets. Misschien blijkt later wel dat net die ontmoeting met jou het verschil maakte.

(Kroniek verschenen in META 3, 2012)

maandag 2 april 2012

Bibliotheekkamp

Terug van het Library Camp zie ik de eerste verslagen verschijnen. De focus meer op de organisatie van dit schijnbaar ongeorganiseerde gebeuren, dan op de inhoud. Zo ook in de reportage van This Week in Libraries, waarin ik ook even mag optreden.


TWIL #66: LibCampNL 2012 unconference from Jaap van de Geer on Vimeo.

Wat ik improviserend in aarzelend Engels probeer uit te drukken, vat wel samen wat ik eraan over hou. Spectaculair is het niet: het beroep evolueert. De focus komt steeds meer op de gebruiker te liggen. Informatieprofessionals moeten weten om te gaan met mensen, dat vooral en in de eerste plaats. Maar de kern van het beroep blijft toch: toegang bieden tot informatie. Weten dus, hoe je moet zoeken, waar je kan vinden. Het belang van die vaardigheden mogen we niet onderschatten.

Het is niet alles wat ik mee naar huis neem. Een voornemen om samen met de Nederlandse collega's rond ACTA te werken is allicht het meest concrete resultaat. Contacten hou je ook altijd wel over aan een evenement zoals dit. Bijzonder prettig was het overigens om een aantal virtuele kennissen ook in levende lijve te ontmoeten.

Maar als ik het allemaal optel, is het aan het einde van de rit toch vooral de emotie die het event geslaagd maakte. Niet dat we mekaar huilend in de armen vielen, 's avonds bij het afscheid. (Dat zou overigens niet passen bij mijn imago van gereserveerde Vlaming). Wel straalde deze onconferentie een ongelooflijk positieve sfeer uit.  Al die professionals die in hun vrije tijd nog eens komen discussiëren over de toekomst van hun vak, die misschien niet weten waar het naartoe gaat, maar er op zijn minst mee bezig zijn. Ze weten wat de uitdagingen zijn waar ze voorstaan. Ze zitten niet bij de pakken neer, maar zoeken naar oplossingen, naar antwoorden.

En dus loop je 's avonds goed geluimd langs de Amsterdamse grachten richting station.

Een dikke pluim dus voor de organisatoren. Want hoewel deze conferentie absoluut geen conferentie was, is er aan de voorbereiding en inmiddels ook de nazorg, toch veel zorg besteed.

donderdag 9 februari 2012

 
Prachtig verhaal van Haichay Jiang, coördinatrice van Artforum, over de bib en - vooral - de bibliothecaris.
Vertoond op de studiedag 'De Grote Verleiding' over leesplezier.

vrijdag 27 januari 2012

Bibliotheken in Nederland 5 - Samenwerking

Cultuurfabriek. Is dat een term die cultuurspreiding en cultuurparticipatie in zich sluit? Het is in elk geval de naam van het pand waar de bibliotheek van Veenendaal in huist. Een doorsnee bibliotheek in een doorsnee gemeente de bible belt van Nederland. De meest klassieke van de bibliotheken die we bezochten en misschien ook de meest Vlaamse. Samen onder dak met de kunstuitleen, het verplichte leescafé en het lokale museum. Een klassiek retailconcept, versie 'black box', maar met lokale varianten.

De samenwerking leek niet erg diepgaand. Het blitzbezoek van onze groep aan het lokale museum op de benedenverdieping, wekte wat wrevel op : waarom lopen al die Belgen hier zomaar binnen zonder betalen?

Samenwerking leek overigens op veel plaatsen een heikel punt. Amsterdam is zo groot dat iedereen graag in de schaduw vertoeft. Was het radiostation AmsterdamFM bijna overgenomen door de OBA, of was dat wat grootspraak van de bibliotheek? Maar de relatie met het conservatorium aan de overzijde van de straat, leek dan weer aan de koele kant. Ook in  Heerhugowaard liep de samenwerking met de academie blijkbaar moeizaam. Een kwestie van persoonlijkheden?

Maar een rondleiding is ook niet meer dan dat: een partiële blik op de werking van instelling. Bibliotheek Kennemerwaard leek in een project rond duurzaamheid een spilfunctie op te nemen in het landschap van lokale milieu-organisaties, maar het project viel buiten de scoop van de rondleiding. En dan duikt automatisch de vraag op: wat hebben we allemaal niet gezien op deze driedaagse bij onze Noorderburen?

woensdag 18 januari 2012

Bibliotheken in Nederland 4 - Teams

Delft. De modernste bibliotheek van Nederland. Wat zou er overblijven van DOK nu Eppo van Nispen tot Sevenaer er geen directeur meer is. Tijdens een eerdere reis naar Nederland, vroegen we ons al af hoe lang Eppo in Delft zou blijven. En of zijn model 'duurzaam' zou zijn, want al in 2008 verschenen de eerste berichten over budgettaire problemen bij DOK Delft.

Van reorganisatie is inderdaad sprake. Erik Boekesteijn, samen met Jaap van de Geer drijvende kracht achter de innovatieve projecten van DOK Delft, liep rond in een witte labojas met het opschrift Doklab. En Doklab is ook de naam van de nieuwe organisatie waarin hun projecten ondergebracht worden vanaf 1 januari 2012. Zullen vanaf nu de Shanachie Tour en This Week in Libraries zelfbedruipend moeten zijn?

Maar dat zijn aanpassingen achter de schermen. Voor wie er binnen loopt, ziet DOK Delft er nog altijd even levendig en aantrekkelijk uit. Dat we er op bezoek waren op een woensdagnamiddag tijdens een kerstoptreden voor kleuters, zal daar niet vreemd aan zijn. Niet de massa's uit Amsterdam in provinciestad Delft, maar wel een gezellige drukte. En ook geen personeel dat zich lijkt af te vragen waarmee het zich nu juist moet bezighouden, maar medewerkers die gebruikers helpen en aan het werk zijn. Meer nog dan in de bibliotheek van de honderd talenten lijkt de jeugdafdeling hier echt van de jeugd te zijn. Het oerwoud van rekken op grote wielen geeft de afdeling een dynamische aanblik en op de vloer slingert het speelgoed in het rond. Aan de tafels helpen ouders hun kinderen. Maar goed, zoals gezegd: woensdagmiddag.

De Wii heeft zijn prominente plaats verloren en het aantal gameconsoles lijkt verminderd te zijn. Muziek wordt alleen nog digitaal aangeboden. De cd's zijn uit de rekken gehaald. De zetels met ingebouwde boxen en een Apple-computer waar gebruikers rustig naar muziek kunnen luisteren, blijken zorgenkindjes. De opnamestudio kampt met technische problemen. Niet alles rozengeur en maneschijn dus.

Weer op de bus vragen we ons af wat het verschil maakt. 'Een gezond anarchisme' was er blijkbaar altijd al geweest. En al had Eppo de Delftse bib, de modernste van Nederland, op de internationale kaart gezet, het is duidelijk niet alleen zijn verdienste dat ze zo hip is. De stationsbibliotheek van Haarlem is een concept zonder gezicht, de bib van Amsterdam is prestigieus, maar in zijn omvang weinig persoonlijk en in Heerhugowaard leek het alsof de fusie uit 2009 nog verteerd moest worden. Delft is een bibliotheek op mensenmaat. Kan het zo simpel zijn: een bibliotheek waar de innovatie vanuit het team komt? Enthousiasme over wat ze gepresteerd hadden, voelden we in elk geval ook wel in de bibliotheek van de honderd talenten. En is dit dan te vergelijken met de authenticiteit die Tenaanval in Londen vond?

Of is het allemaal wishful thinking, want teams hebben we nergens echt aan het werk gezien.

vrijdag 13 januari 2012

Bibliotheken in Nederland 3 - Organisaties

Ook de bibliotheek van Heerhugowaard werkt volgens een concept: dat van de bibliotheek van 100 talenten. Hier gaat het meer over de methodiek dan over inrichting of doelstellingen. Bij het ontwerpen van de jeugdafdeling werden de jongeren zelf intensief betrokken. Niet alleen de meisjes uit middenklassengezinnen die sowieso al fan zijn van de bibliotheek. Via de scholen ook andere jongeren. Het resultaat was een jeugdafdeling met veel hoekjes en kantjes die er op een woensdagochtend dan toch weer wat ongebruikt uit zag. Even leeg als de jeugdafdeling in de OBA, de dag voordien, maar wel kleuriger, speelser en gevarieerder. Op de vraag of alleen kinderen honderd talenten hebben, kwam een onduidelijk antwoord. Ene Maria zou ook met volwassenen aan de slag zijn. In elk geval: ook hier weer een sterk concept, onderbouwd met pedagogische principes en mooi verkocht door, alweer, ProBiblio.

Hoe mooi de jeugdafdeling ook mag zijn, het interessante aan dit verhaal lag in een ander aspect. De openbare bibliotheek van Heerhugowaard maakt deel uit van een groter geheel: de Bibliotheek Kennemerwaard. De bibliotheek is geen gemeentedienst, maar een onafhankelijke organisatie, waarin de bibliotheken van Alkmaar, Castricum en Heerhugowaard samenwerken. Eén organisatie dus, die voor het bibliotheekwerk geld krijgt van drie gemeenten. Dat geld dient niet voor het geheel, maar voor de werking in die specifieke gemeente. Hetzelfde zagen we overigens in Amsterdam, waar de OBA gefinancierd wordt door de verschillende stadsdelen. Dat leidde ertoe dat de OBA in het ene stadsdeel moet bezuinigen, terwijl dat in een ander niet het geval is. Eén organisatie dus, maar verschillende opdrachten in verschillende gemeenten. De bibliotheek van Heerhugowaard is er één van honderd talenten, maar in Alkmaar en Castricum was dat concept nog niet uitgerold. En bij de fusie was het personeel van Heerhugowaard blijkbaar niet echt in de prijzen gevallen. Voelden we daar de gevolgen van een nog niet volledig verteerde operatie?

Eén organisatie ook die zich moet verantwoorden tegenover een externe subsidiegever: met uitleencijfers, leden- en bezoekersaantallen. Er wordt gezocht naar alternatieve formules, want ook in Nederland ziet men de opdracht voor de bib toch wel ruimer dan uitleencentrale, maar evident is dat niet. Maar ook: één grote organisatie die moet gaan samenwerken met allerlei kleinere organisaties in verschillende gemeenten. Veel fantasie is er niet nodig om je het wantrouwen in te beelden dat dan ontstaat: de angst om opgeslokt of gebruikt te worden door die mastodont van een bib.

maandag 9 januari 2012

Bibliotheken in Nederland 2 - Concepten


Van Amsterdam naar Haarlem, van groot naar klein. Geen superlatieven deze keer, maar wel een goed doordacht experiment. En de aanleiding voor een stevige discussie.

De doelstellingen voor de stationsbibliotheek in Haarlem waren helder: binnen het jaar 1000 leden werven, hoofdzakelijk volwassen mannen die nog geen lid zijn van de openbare bibliotheek in Haarlem. Na vier maanden telde de bib op perron 4 vijfhonderd leden. Goedkoop is het nochtans niet, toch niet naar Vlaamse normen: 30 euro per persoon per jaar. Voor 'een tientje' extra krijg je er een lidmaatschap van de openbare bibliotheek van Haarlem bij - of omgekeerd. Wie het bedrag te hoog vindt, kan ook betalen per uitlening: 2,50 euro per boek kost het dan.

De bib is ingericht volgens het retailconcept. Er is een koffiehoek, een zithoek met tijdschriften, een zelfuitleenbalie met RFID. De boeken liggen in stapels op tafels of staan frontaal in rekken met overzichtelijke rubrieken. Het rek met de graphic novels springt in het oog: de collectie is gekozen in functie van de doelstelling. Het geheel ademt de sfeer van een moderne boekhandel. De top-60 maakt nog 35% uit van de 'omzet'. De boekhandels uit de omgeving juichen het initiatief toe en willen graag samenwerken.

Hoewel de stationsbibliotheek uitgebaat wordt door de bibliotheek van Haarlem, blijft de relatie tussen beide onduidelijk. Een gecombineerd lidmaatschap is mogelijk, maar moet niet. Elke bib heeft zijn eigen bibliotheeksysteem, zodat de rijkdom van de Haarlemse collectie moeilijk uitgespeeld kan worden in het station.

Marketing is een specialiteit van ProBiblio, de organisatie die het concept van de stationsbibliotheek bedacht, zoveel is duidelijk. De stationsbibliotheek is een pilootproject en de bedoeling is om te komen tot een netwerk van dergelijke bibliotheken, gericht op de treinreizigers. Het gaat uiteindelijk om een groep (potentiële) gebruikers die relatief veel leest. Hoe realistisch dat netwerk is, blijft vaag. ProBiblio heeft een aanbod van de Nederlandse Spoorwegen voor een bibliotheek in een ander station afgewezen omdat er te weinig potentie in het project zat. Andere concrete voorstellen lijken er momenteel niet te zijn.

De jongeren in onze groep vinden het een fantastisch model. Zelf blijf ik met veel vragen zitten. Vooral de doelstelling baart me zorgen. Zoals wij het verhaal te horen krijgen, gaat dit over het winnen van leden voor een organisatie en het realiseren van zoveel mogelijk uitleningen. Over maatschappelijke doelstellingen werd met geen woord gerept: geen ontmoetingsplek, geen informatiebemiddeling, geen leesbevordering, geen smaakontwikkeling. Is dat alles? Allicht ben ik ouderwets als ik voorstel dat een gelijkaardig effect bereikt kan worden met een minder actuele collectie: geen boeken uit de top-60, maar werk dat commercieel minder evident is. Mensen ertoe aanzetten om nieuwe (of moet ik zeggen 'oude'?) dingen te ontdekken.

Zelf kan ik de discussie niet los zien van die rond de leenvergoeding. De dag voor we vertrokken, heb ik in een debat nog het onderscheid benadrukt tussen het Nederlandse en het Vlaamse bibliotheekwezen. In Vlaanderen hebben we een duidelijke maatschappelijke opdracht. Bij ons zijn bibliotheken overheidsdiensten die werken aan cultuurspreiding, cultuurparticipatie en informatiebemiddeling. In Nederland zijn het zelfstandige, gesubsidieerde organisaties die hun werking verantwoorden aan de hand van ledenaantallen en uitleencijfers. De stationsbibliotheek in Haarlem nodigt ertoe uit om het debat zo scherp te stellen. Neem de proef op de som: loop er binnen en stel u de vraag: wat is de doelstelling van deze bib?Als morgen een grote boekhandelsketen start met een verhuurdienst van boeken, dan zal die er uitzien zoals de bib op perron 4 in Haarlem CS.

Nog erger: het concept is verouderd nog voor het goed en wel van de grond gekomen is. Want, zoals één van de medereizigers zich afvroeg: wat met e-books? Als er nu één groep is die snel overschakelt op tablets en e-readers, dan zijn het wel de treinreizigers. Maar daar was nog niet over nagedacht.

Weer thuis lees ik bij Tenaanval, die net bibliotheken in Londen bezocht heeft en onder de indruk is van hun dynamiek:
"Het succes van al die organisaties zat hem volgens mij niet alleen in hun zelfverzekerdheid maar ook in hun eigenheid: niks formules maar een duidelijk eigen gezicht, een eigen stijl. Niet altijd even flitsend (integendeel zelfs) maar wel heel eigen en heel herkenbaar. Authentiek ook vooral. Ze laten zich niet gek maken door de waan van de dag maar ze houden vast aan hun eigen principes en hun eigen uitgangspunten. (...) Ze hebben een heel eigen verhaal, geen slappe imitatie of vage kopie van andermans formule,  maar ze staan voor wat zij belangrijk vinden en ze hebben lol in wat ze doen. Dat stralen ze uit en dat brengen ze over. Dat werkt dus en dat was mooi om te zien."
En wat later citeert Tenaanval Richard Watson, die eerder het uitstervan van de bib in 2019 situeerde, maar recent zijn mening herzag:
"In a world cluttered with too much instant opinion and we need good librarians more than ever. Not just to find a popular book, but to recommend an obscure or original one."
Is dat ons streefdoel? Zowel in de Vlaamse overheidsdiensten als in de Nederlandse conceptbibliotheken?

dinsdag 3 januari 2012

Bibliotheken in Nederland 1 - Gebouwen

De beste bibliotheek van Nederland stond niet op het programma van de studiereis die Locus organiseerde samen met Rob Bruijnzeels van de Library School. De modernste wel en ook de grootste mocht niet ontbreken. Die laatste staat inmiddels al een jaar of vijf in Amsterdam:de OBA,  een gigantisch gebouw, een grand bazar zeg maar, naast het Centraal Station. Want zoals het past in een warenhuis, vormen de roltrappen de kern. Hoe meer de bezoeker ziet, hoe meer hij of zij 'koopt'.

Over die bib is de voorbije jaren al voldoende geschreven, onder meer in Bibliotheek- & archiefgids, de voorloper van META, na een studiereis die de VVBAD organiseerde. Op een doordeweekse middag in december zit de bibliotheek vol. Zowat elke zitplaats is ingenomen en bijna iedereen heeft minstens één scherm voor zijn neus: een van de internet-pc's, een laptop, een smartphone. Van ontmoeting is zo op het oog weinig sprake: het is elk voor zich. Het personeel lijkt er wat verloren bij te lopen. Voor de boeken is er niet veel interesse.

Directeur Hans van Velzen bevestigt ook dat er weinig vragen komen en rekent meteen uit hoeveel de infobalies op elke verdieping wel kosten, met 84 (!) openingsuren per week en drie formatieplaatsen per verdieping. Hier wordt nagedacht over bezuinigingen. Het personeel dat niet op de vloer staat, zit opeengepakt in een kleine ruimte in de kelder. Daglicht komt alleen uit een smalle lichtstraat boven hun hoofden. Ze hebben een kleine refter veroverd, ook al zou de directeur liever zien dat ze gebruik maken van La Place op de zevende verdieping. Donker en benepen, vinden wij. "Maar het kan hier best gezellig zijn", reageert een medewerker die boeken op een karretje laadt.

Vuil, is het oordeel van Vlaamse collega's. De gekromde rekken op de jeugdafdeling zijn stoffig, de banken bij de tijdschriften vuil, de witte stoelen op de verdiepingen versleten. De tol voor intensief gebruik? Op de vierde verdieping is er een radio-uitzending aan de gang, in het auditorium op de hoogste vloer vindt een filmvoorstelling plaats. Het gebouw en de massa: dat zijn de indrukken die blijven: de omvang, de architectuur en het design van de bibliotheek en het grote aantal bezoekers dat er gebruik van maakt. Toch vertrekken we met het gevoel dat er iets ontbreekt. Maar wat?