woensdag 31 augustus 2011

Bloggen en inloggen

Nu nog een blog starten is eigenlijk tonen dat je niet meebent. Dat lees ik tussen de regels toch bij Commissaresse. Wie blogt er nog? Mensen die begonnen in een tijd dat het nog hip was. De jonge garde tumblrt misschien, maar facebookt vooral en twittert, googleplust ...

Meredith Farkas - ook niet onmiddellijk de nieuwste generatie - schreef onlangs een blogpost die duidelijk maakt waarom bloggen in de sociale-mediastorm zinvol blijft. In essentie:
"As someone looking to build or maintain a coherent presence online, I think there is still value to carving out one’s own space on the Web, rather than just contributing ephemeral insights through microblogging."
Wat cru vertaald: wil je nog iets kunnen terugvinden van wat je ooit gezegd hebt, zet het dan in blog in plaats van op Twitter of Facebook.

Maar het ene kan niet zonder het andere, zoals de gangbare praktijken en de blogstatistieken bewijzen. Bloggen heeft maar zin als je erover twittert, facebookt enzovoort. Dat het werkt, bewijst de bevreemdende reactie van de redactie van Duitslandweb op een blogbericht over Berlijn dat ik eerder plaatste. Flink, denk ik dan, dat een universitair onderzoeksinstituut het web afspeurt naar berichten om op te reageren.

Flink ook van het MAS, dat toch wel wat moeite deed om me te contacteren. Het Museum aan de Stroom pikte een twitterberichtje op over mijn blogpost over QR-codes. Een reactie plaatsen op deze blog, lukte niet, dus vonden ze me op Facebook en contacteerden me zo. Inloggen op de website van het MAS kan blijkbaar via OpenID, meldde het museum. Dat was me ter plaatse blijkbaar ontgaan en hoe ik het van thuis uit moet testen, is me niet zo duidelijk. Dat hou ik dus voor een volgende bezoek.

OpenID werkt inderdaad eenvoudig, zeker als je een Blogger-account hebt. Toch vraag ik mij af hoeveel mensen vertrouwd zijn met het systeem.Ik zocht immers ook even uit waarom het MAS geen reactie kon plaatsen. Ik had mijn blog zo ingesteld dat alleen geregistreerde gebruikers kunnen reageren. En weet dat Blogger meldt dat dit ook ... OpenID omvat. Zo eenvoudig is het blijkbaar toch niet.

donderdag 25 augustus 2011

Rapportering of afrekening?

Het is alweer een tijd geleden, maar op de junitoer van Locus ging de discussie misschien nog meer over rapportering dan over prioriteiten of doelstellingen.

In het nieuwe planlastdenken is alleen de theorie duidelijk. Lokale besturen maken een 'strategisch meerjarenplan', koppelen dat aan budgetten, de budgetten aan de boekhouding en dat alles aan een rapporteringstool die alle rapporten genereert die de Vlaamse overheid nodig heeft.

Tot zover de theorie. Hoe de praktijk er uit zal zien, weet nog niemand. De pilootgemeenten die met de nieuwe beleids- & beheerscyclus werken, zijn zo ver nog niet. Het is dus koffiedik kijken.

De rapporten, zo dacht ik, zouden dan wel eens veredelde afrekeningen kunnen worden. Alle acties die bij een doelstelling horen, krijgen een boekhoudcode. Als er geld is uitgegeven op die post is er aan de doelstelling gewerkt. Voilà. Alleen nog een lijntje tekst erbij over de actie, automatisch uit het actieplan geplukt & klaar is kees.

Filip De Rynck schetste echter een heel ander beeld. Volgens hem is het best mogelijk dat de Vlaamse overheid bij elke doelstelling die ze formuleert, indicatoren meegeeft. De rapporten van de lokale besturen zullen dus via die indicatoren moeten aantonen welke effecten hun acties gehad hebben. Planlast zou dan rapporteringslast kunnen worden.

Heeft het allemaal nog belang? Er is ook een andere weg: die van de voorwaarden. Denk aan het Cultureel-Erfgoeddecreet. Hoe langer hoe meer lijkt het erop dat het kwaliteitslabel ( voor museum, culturele archiefinstelling of erfgoedbibliotheek) een instapvoorwaarde wordt. Geen label, geen geld (of andere voordelen). Zoiets tekent zich ook af bij het decreet Lokaal Cultuurbeleid. Geen bibliotheek die aan de voorwaarden voldoet, geen cultuur- of gemeenschapscentrum (voor gemeenten die daarvoor in aanmerking komen, geen geld. Alleen: de Vlaamse overheid kan niet zomaar de voorwaarden formuleren die ze wilt - of die de sector graag zou zien.

Zal het allemaal verschil maken?

zaterdag 20 augustus 2011

Geschiedenis op straat

Misschien mag ik wat klagen over het gebrek aan uitleg in de Berlijnse musea - hoewel, was het klagen? - op andere plaatsen zijn de Berlijners dan weer gul.

De stad heeft - alweer een cliché - een bewogen geschiedenis. Die is nadrukkelijk aanwezig. De trots van het herenigde Duitsland wordt weerspiegeld in de koepel op de Reichstag en, meer nog, in de megalomane, ongeremd kapitalistische Potzdammer Platz. Architectuur in al haar vormen is nadrukkelijk aanwezig. Maar heel wat gebouwen getuigen op een subtielere manier van de verschillende episoden uit het verleden. Het Neues Museum, huist in een neoclassicistisch gebouw op het Museum Insel. Het museum werd pas onlangs gerenoveerd, alweer een uiting van het zelfbewuste Berlijn van na de eenmaking. Echnaton en de zijnen huizein in een onmiskenbaar hedendaagse vleugel van het gebouw. Maar een verdieping lager zijn de restanten van de oorspronkelijke muurschildering uit het midden van de negentiende eeuw nog zichtbaar. En voor wie nog twijfelde, getuigen onbezette muren binnenin en nog altijd zichtbare schade aan de buitenkant van het geweld van de wereldoorlog.

In het Museum für Naturkunde - ik besef het, ik val in herhaling - is een trapzaal ingericht als tentoonstellingsruimte. De monumentale trap met het mooie smeedwerk voert allicht niet toevallig omhoog naar meteorieten en sterrenstenen. De zeldzame bezoeker die tot boven loopt, staat alweer voor een verrassing. De ruimtes die daar uitgeven op de trapzaal, zijn niet toegankelijk voor het publiek. De zolders bevatten, zoals wel vaker voorkomt, de depots (behalve dan dat van dieren op sterk water, dat deel uitmaakt van de publieksruimtes). Platen aan de glazen deuren wijzen daarop. En terloops vermelden ze dat het dak nog altijd het nooddak is dat sovjetsoldaten na de oorlog over het beschadigde gebouw legden.

Wat  verderop, in de Hackesche Höfe, één van Berlijns toeristenvallen, zijn dan opeens qr-codes te vinden die verwijzen naar filmpjes met meer informatie over de architectuur van en het leven in dit Jugendstilcomplex.

In Nordbahnhof worden argeloze S-bahnreizigers geconfronteerd met de geschiedenis van de Berlijnse muur. Afgesloten metrostations, gedurfde pogingen om de grens over te steken - te ondergraven eerder, want hoe hoger de muur werd, hoe meer de Oost-Berlijners ondergrondse wegen naar het Westen zochten. Buiten wacht een intelligente combinatie van restanten, reconstructie en evocatie. Reuzenfoto's en minibeelden: een kerk die moest wijken voor de muur, een familie die uit het raam van een Oost-Berlijns gebouw op de  West-Berlijnse stoep springt. Lopen door de Bernauer Strasse is gewandelde geschiedenis.

Is er een pointe aan dit verhaal? Misschien wel deze: dat Berlijn de confrontatie met de geschiedenis op straat aangaat: boven, op en onder de grond. Eerder daar dan in de musea, hoe mooi die ook zijn. Daar worden de verhalen verteld, aan de hand van de stad en van de architectuur, subtiel, sober en aangrijpend.

Niet akkoord? Loop dan even de Neue Wache in en kijk naar het beeld van Käthe Kollwitz, steek dan de straat over en kijk omlaag, naar de lege bibliotheek.



dinsdag 16 augustus 2011

Schatten in Berlijn


Het MAS als stapelhuis, schatkamer. Het is geen uniek geval, uiteraard.

Het Berlijnse Museum für Naturkunde pakt graag uit met zijn rijkdommen. Het skelet van de brachiosaurus, eerlijk gezegd de aanleiding voor een bezoek, kreeg zelfs een vermelding in het Guinness Book of Records als grootste gemonteerde skelet van deze soort. Indrukwekkend, daar draait het dus om. Maar als het alleen om deze marketingtruc ging, zou dit bericht behoorlijk triviaal worden.

Wie het museum doorkruist, stuit vroeg of laat op een sas, bediend door twee suppoosten. De tweede deur mag pas open als de eerste netjes gesloten is. De Duitsers werken nauwkeurig. Weinigen wagen zich dan ook hier. Wie doorzet, komt in een zaal waarin een tweede, reusachtige glazen zaal staat. Als bezoeker kan je er alleen omheen lopen. In die glazen ruimte staan, op glazen schappen, duizenden glazen flessen. Alle gevuld met sterk water. Af en toe kan je een labeltje onderscheiden met wetenschappelijke benamingen en museale verwijzingen, maar meestal zie je alleen glas en onduidelijke, dierlijke vormen. Soms herken je een verbleekte hamerhaai, of het lachende gezichtje van een rog in ethylalcohol. Uitleg krijg je niet, alleen een overweldigende indruk van een verzameling die een miljoen specimen telt. Een esthetische ervaring.

Ook daar hield het niet op. De tijdelijke tentoonstelling Federflug herdenkt de ontdekking, honderdvijftig jaar geleden, van de Archaeopteryx lithographica. Maar buiten een reconstructie van het skelet van deze oervogel, zijn er vooral veren te zien: araveren, fazantenveren, struisvogelveren, adelaarsveren, condorveren, ganzenveren en nog veel meer. Opnieuw meer rijkdom dan uitleg. Een mooi vormgegeven kleuren- en vormenspel.

Maar zo is het toch altijd geweest? Neem nu het recent gerenoveerde Neues Museum. Een egyptologische verzameling van wereldklasse op klassieke wijze uitgestald. De mooiste koningin van het Oude Egypte - en nee, dat is niet Cleopatra - krijgt er een zaal voor zich alleen. Terecht. Het hoofd van Nefertiti is inmiddels een cliché van jewelste, maar ik zag nog geen enkele afbeelding, nog geen enkele kopie, die het origineel kon evenaren. Je stelt je voor dat het beschadigd is omdat Thoetmosis, de man die het maakte, er een klap op gaf terwijl hij gefrustreerd uitriep: 'Maar leef dan toch!' (Zoals een andere kunstenaar veel later in een andere mythische stad met een beitel in zijn hand zal doen.) Voorrang dus voor de esthetische ervaring; het object als object.

Maar ook in de andere ruimtes van dit historische gebouw, ontbreekt het verhaal. Ondanks de prachtige verzameling uit Amarna, geen verhalen over ingewikkelde familieverbanden of religieuze experimenten. Alleen mooi opgestelde stukken. De sarcofagen liggen bijna letterlijk opgetast en wie niet vertrouwd is met de chronologie van dit rijk van drieduizend jaren, loopt hopeloos verloren.

En is dat de kern van deze klassieke en tegelijk ook nieuwe presentatiewijze? Dat de bezoeker zijn elders verworven kennis mee moet brengen naar het museum? Of dat hij zich moeten laten verwonderen door deze rijkdommen en thuis op zoek moet gaan naar meer. En als hij de drempels weet te overwinnen, kan hij dat ook al ter plaatse, in het MAS toch, via QR-codes. Die waren er in Berlijn overigens niet. (Of toch, maar daarover later meer.) Als we onze kennis verwerven via internet (en zo, uiteraard), dan kan het museum zich ongegeneerd concentreren op dat wat het onderscheidt: het object als object en uitpakken met zijn kerntaak: het verzamelen (en bewaren en zo, uiteraard) van zoveel mogelijk objecten.

(Hier eindigt mijn verhaal, maar toch niet zonder kleine voetnoot: mijn ervaring is gekleurd door bezoeken in familieverband. De audioguides in vreemde talen lieten we terzijde. Kinderen motiveer je niet door hen te laten wachten terwijl jij naar een uitleg in het Engels luistert die je dan vervolgens vertaalt. En het tempo moet hoog liggen. Kinderen in musea zijn nauwelijks bij te houden, zeker als  het hen interesseert. Maar misschien mag ik dan ook wel verwachten dat het museum uitleg biedt die snel behapbaar is, voor de gehaasten en de gezinnen onder de bezoekers?)