dinsdag 4 september 2018

Stilzitten en zwijgen!

Op 1 september publiceerde De Standaard een interview met Dirk Van Damme, hoofd van het Centrum voor onderwijsonderzoek en innovatie van de OESO. Hij klaagt over het gebrek aan ambitie bij onze leerlingen en zingt de lof van de Vlaamse elitecolleges.

Maar vijfendertig jaar nadat ik er zelf passeerde, functioneren die colleges nog altijd grotendeels op dezelfde manier . Toegegeven, er zijn nu drie graden in plaats van twee cycli, met meer keuzemogelijkheden dan vroeger. Er hangen smartboards in de klassen en er wordt een elektronisch leerplatform gebruikt. Maar de kern van het onderwijs is nog altijd hetzelfde als lang geleden: luisteren en reproduceren.

In diezelfde periode is onze werkomgeving wel drastisch geëvolueerd. De fax is gekomen en weer verdwenen. PC, internet, sociale media, smartphones… ze hebben in diezelfde periode onze manier van werken, onze organisaties grondig dooreen geschud. Zelfs het lager onderwijs is niet meer wat het geweest is. Hoekenwerk, contractwerk bestond niet, veertig jaar geleden en het zijn innovaties die de manier van leren van onze kinderen wel grondig beïnvloeden. Maar blijkbaar verdienen onze tieners minder autonomie dan onze -12-jarigen.

Is het dan verwonderlijk dat heel wat van die tieners moeite hebben met het huidige onderwijssysteem? Niet omdat ze het niet aankunnen, wel omdat het niet meer aangepast is aan onze maatschappij. Het werd immers ontwikkeld voor een industriële samenleving die we inmiddels al lang achter ons gelaten hebben. Als bezorgde ouder is mijn zicht op het onderwijslandschap beperkt. Ik weet niet of er nu meer leerlingen uitvallen dan vroeger en misschien kwam ik gewoon per toeval met traditionele scholen in aanraking en is het elders helemaal anders. Hoewel, het valt me op dat als ik het probleem aankaart bij andere ouders, uit andere delen van het land, ik vaak instemming hoor. Voor alle duidelijkheid: ik zie nog veel enthousiasme bij leerkrachten en directies. De mensen die er werken, doen hun best, maar het systeem is aan een grondige update toe.

Er wordt geruzied over een eengemaakte eerste graad, over de relatie tussen ASO, TSO en BSO. Over de essentie hoor ik niemand. Hoe willen we dat onze kinderen in de toekomst in het leven staan? Het wordt hoog tijd dat we hen, ook binnen het onderwijs, meer autonomie geven, meer coachen en stimuleren, dan te verwachten dat ze blijven reproduceren. Allicht tonen ze dan vanzelf meer ambitie.

zaterdag 11 augustus 2018

Inspireerde Rubens Jan Fabre?

Jan Fabre creëerde drie altaarstukken voor de concertzaalvan AMUZ, ooit de kloosterkerk van de Augustijnen. De oorspronkelijke werken waren van de hand van de grootmeesters van de Antwerpse barok: Van Dyck, Jordaens en Rubens. Ze maken nu deel uit van de collectie van het KMSKA. In het kader van het festival Rubens inspireert. Antwerpen barok 2018 mocht Jan Fabre dus drie nieuwe altaarstukken realiseren.

In de folder van AMUZ wordt uitvoerig verwezen naar de link tussen deze nieuwe werken en de oorspronkelijke stukken. Ze worden gelezen als een combinatie van de vormentaal van Jan Fabre met de klassieke religieuze symboliek. De symbolen van Sint-Augustinus, de marteling van de heilige Apollonia, de kunstenaars als een Lam Gods bereid zijn leven te geven voor zijn kunst: ze zijn allemaal terug te vinden. De dekschilden van die arme juweelkevers – stel je even voor dat Fabre gewerkt zou hebben met nertspelzen of schelletjes rauwe ham – verdoezelen de magere iconografie. In wezen doet Fabre niet veel meer dan symbolen  opeenstapelen. Vergelijk dat even met de beeldentaal van de drie oude grootmeesters. Zo gelezen gaat het dus om dure kitsch. Gelukkig is er ook een andere interpretatie mogelijk.

Laat ons beginnen met de Jesus Christ Superstar-figuur van het Augustinusaltaar links. Het is de man die de naam van God en de inspiratie van de Heilige Geest gebruikt om macht te verwerven – de symbolen ervan liggen al aan zijn voeten. De associatie met de televisie- en internetpredikanten ligt voor de hand. Zij bepalen momenteel wie de machtigste man ter wereld wordt. Dit paneel is duidelijk het minste van de drie.

Interessanter is het hoofdaltaar. Een diamant splijt het Lam Gods in tweeën. Het dier wordt niet geofferd, het is al dood, maar beseft dat nog niet. Het resultaat van deze overwinning van het Gouden Kalf is meteen duidelijk: het bloed spuit de lucht in. De resulterende stroom staat op het punt zich terug te plooien, tot een paddenstoelwolk. De heersende machten zien dat het goed is en omringen deze uitbarsting van geweld met een lauwerkrans. God is dood.

Het Apollonia-altaar is het meest complexe van de drie. Een vrouw wordt met een tang de tong uit de mond getrokken, onder het wakende oog van twee honden. Er is geen ontsnappen aan. Het gekrijs gaat door merg en been, zo blijkt uit de decibelmeter onderaan het paneel, maar het klinkt ons als muziek in de oren. De vreemde, groenblauwe figuur heeft het zichzelf aangedaan. Ze had maar moeten blijven waar ze vandaan kwam, mars of waar dan ook. Door naar hier te komen, heeft ze zichzelf monddood gemaakt, rechteloos. Het is haar eigen schuld dat haar stem haar ontnomen wordt.

Ondertussen krioelen de kevers overal op en over, even stemloos, even naamloos als de groene vrouw. Ze worden gemanipuleerd, aangezet tot hebzucht en haat. Ze zijn levenloos. Wij zijn levenloos. De kunstenaar lacht in zijn vuistje.

woensdag 24 juni 2015

Gereglementeerde boekenprijs: twee argumenten pro en wat open vragen

Op kenniskantoor werd de vraag gesteld of er zelfs maar één argument is om vanuit de bibliotheeksector een gereglementeerde boekenprijs met een korting van maximaal 15 procent te aanvaarden. Wel, laat ons er even van uitgaan dat bibliothecarissen werken vanuit liefde voor het boek, voor lezen. Dat ze het belang inzien van leesbevordering. Dan mogen we ook verwachten dat ze voorstander zijn van een rijk en divers aanbod aan boeken, ook in niches en 'moeilijke' genres en dat ze het wenselijk vinden dat lezers ruime toegang hebben tot boeken, via een fijnmazig net van bibliotheken en een diversiteit aan boekhandels en verkooppunten. Met andere woorden: we gaan ervan uit dat bibliotheken zich wel kunnen vinden in de doelstellingen van een gereglementeerde boekenprijs. Maar heeft die maatregel dan ook effect?

Deze week nog lanceerde Amazon het voorstel om auteurs te betalen per gelezen bladzijde in plaats van per boek. Weinig waarschijnlijk dat het belang van de auteur hierbij voorop staat. En diezelfde boekverkoper besliste een tijd geleden om geen boeken van uitgeverij Hachette meer te verkopen, na een dispuut over de prijszetting van e-boeken. Hachette was groot en sterk genoeg om het pleit te winnen, maar het is duidelijk dat de positie van Amazon zo sterk is, dat het zijn leveranciers onder druk zet om optimale voorwaarden te krijgen. Wat geldt op de markt van de e-boeken, geldt ook op die van het fysieke boek. Carrefour deed eigenlijk net hetzelfde tijdens de hoorzitting in het Vlaams parlement, eerder deze week. De supermarktketen dreigde om aanzienlijk minder boeken te bestellen bij Lannoo en Van Halewijck - allebei met naam genoemd - als er een gereglementeerde boekenprijs zou komen. Ik herinner me een hallucinant gastcollege aan de opleiding Informatie- en Bibliotheekwetenschap waar de CEO van een grote Vlaamse boekhandelsketen haarfijn kwam uitleggen hoe hij zijn leveranciers het mes op de keel zette om optimale voorwaarden af te dwingen. Het zijn de boekhandels - of beter: de grote boekverkopers - die de uitgevers wurgen, iets wat vertegenwoordigers van Boek.be moeilijk op een hoorzitting kunnen verkondigen. Opvallend overigens met welke schaamteloosheid dominante marktspelers uitpakken met de manier waarop zij hun positie uitbuiten. De druk op de leveranciers maakt dat dezeminder risico kunnen nemen. Moeilijke genres en onbekende auteurs krijgen minder kansen. Uitgevers willen alleen nog investeren in boeken die gegarandeerd verkopen. Allicht betekent dit ook een geleidelijke prijsstijging: als de grote boekverkoper(s) een groter deel van de koek opeisen, moet de uitgever dat compenseren met grotere marges elders. Er is dan ook reden om aan te nemen dat Jef Maes van Boek.be gelijk heeft, als hij stelt dat een gereglementeerde boekenprijs niet leidt tot prijsstijgingen.

Maar stel dat we toch niet wakker liggen van een ruim en divers aanbod aan titels en de problemen van de uitgevers? We genieten gewoon van de grote kortingen die we krijgen. Dan moeten we beseffen dat we die kortingen niet krijgen uit liefdadigheid. Ze passen in een strategie om marktaandeel te vergroten. In die strategie geldt elke sluiting, elk faillissement van een concurrent als een overwinning. We moeten er niet aan twijfelen dat de strategie zal veranderen zodra een speler zich sterk genoeg voelt. Na het vergroten van het marktaandeel komt het optimaliseren van de winst: minder kortingen, snoeien in de kosten (lees: de dienstverlening). Dat komt op een moment dat voor de klant de keuzevrijheid drastisch ingeperkt is. Wie twijfelt aan de geldigheid van deze redenering, moet even een kijkje nemen bij de wetenschappelijke bibliotheken. Er zijn heel veel wetenschappelijk uitgevers. Toch is er sprake van een monopoliepositie: wetenschappelijke tijdschriften zijn geordend in een strikte hiërarchie en een zichzelf respecterende wetenschappelijke instelling kan niet zonder de toptijdschriften in haar domein. Voor 2015 worden hier prijsstijgingen verwacht van vijf tot zeven procent en het gaat al jaren aan dat tempo. Hier zijn het de uitgevers die de bibliotheken wurgen. Petities en boycotacties en zelf de ontwikkeling van een heel nieuw model voor  wetenschappelijke publicaties, hebben daar tot nog toe niets aan kunnen veranderen.

Redenen genoeg, denk ik, om voor een status quo te pleiten. Dat is eigenlijk wat Jan Braeckman en ikzelf gedaan hebben op de hoorzitting. Een getrapt systeem met hogere kortingen voor grotere aanbestedingen sluit nauw aan bij de huidige manier van werken van vele bibliotheken. De impact op de collectiebudgetten zou beperkt blijven, terwijl de excessen in de kortingenslag afgeblokt worden.

Maar laat mij afsluiten met wat open vragen:

1. Zou het kunnen dat we op langere termijn baat hebben bij een meer drastische ingreep? We zouden dan nu de beperking tot 15 procent slikken om binnen vijf tot tien jaar een meer divers landschap van leveranciers te hebben, met meer innovatie en meer keuze. Toegegeven, het is een gok. Maar over de noodzaak aan een nulmeting en een evaluatie op regelmatige basis was zelfs Carlo Van Baelen het met ons eens. Er zou dus bijgestuurd moeten worden als het anders loopt dan verhoopt.

2. Ik heb een leverancier nog niet zo lang geleden horen beweren dat we in Vlaanderen te veel geld spenderen aan personeel en te weinig aan collectie. Nederland is dan uiteraard het gidsland. Het zou uiteraard kunnen dat de leverancier meer bezorgd wat over de afzet van boeken dan over werking van de bibliotheek. Het lijkt me toch redelijk om de vraag te stellen hoe ver we willen gaan om rijke en diverse collecties te behouden in onze bibliotheken. Collectie boven personeel? Eerder omgekeerd? (Gesteld dat de bibliothecaris de keuze heeft, uiteraard). Het wordt op vele plekken een reëel dilemma.

3. Je zou de zaken zelfs kunnen door trekken en de vraag stellen: wat is de minimale collectie die we nog nodig hebben om een kwaliteitsvolle bibliotheekwerking te kunnen ontwikkelen? De klemtoon ligt dan niet meer op wat we in huis willen hebben, maar op wat we willen doen (en welk materiaal we daarvoor nodig hebben). Om het met R. David Lankes te zeggen "a room full of books is simply a closet but that an empty room with a librarian in it is a library". Wat dan meteen een goede reden was om hem als keynote uit te nodigen op Informatie aan Zee.


zondag 7 juni 2015

Hoorzitting Hart boven Hard: de dubbele agenda van 'de academische wereld'


De bijdrage van de academische wereld, verpersoonlijkt in de figuur van professor De Rynck, ontbreekt in het verslag van Bieke Purnelle op De Wereldmorgen over de hoorzitting in de commissie Cultuur op donderdag 4 juni 2015. Nochtans vormde de bijdrage van De Rynck in meer dan een opzicht het sluitstuk van de zitting. Het loont dan ook de moeite om stil te staan bij zijn bijdrage, die voortbouwde op zijn opiniestuk De onheilsprofeten van het middenveld De Standaard van 28 mei 2015. Zoals bekend waren de plannen van de Vlaamse overheid om steden en gemeenten verregaande autonomie te geven, het onderwerp van de zitting.

De Rynck, professor sociale wetenschappen aan de Universiteit Gent, bracht een dubbele boodschap. Decreten, zo stelde hij, maken een levenscyclus door van een sterke centrale aansturing, over een planmatige aanpak met een grotere beleidsruimte, naar decentralisatie. In dat proces bouwt elke nieuwe fase voort op de verworvenheden van de voorgaande. De Rynck zelf gebruikte het voorbeeld niet, maar de evolutie die de bibliotheeksector doormaakte, illustreert wel zijn betoog. Het eerste bibliotheekdecreet uit 1978 was sterk sturend. Het bevatte normen over personeel, grootte en aard van de collectie en zelfs de inrichting van de bibliotheek. Tegen de eeuwwisseling was het een keurslijf geworden. De sector verwelkomde dan ook de overgang naar het decreet Lokaal Cultuurbeleid. Dat gaf meer beleidsruimte, weliswaar binnen het kader van eerst een sectoraal beleidsplan voor de bib en later een algemeen cultuursbeleidplan. Met de overheveling van de subsidies naar het gemeentefonds, zijn we aanbeland in de laatste fase van de decentralisatie. Een logische stap, volgens De Rynck, en aangezien de sector zich dankzij de voorgaande fases sterkt ontwikkeld heeft, een met een beperkt risico.

Tegelijkertijd wees De Rynck al bij het begin van zijn uiteenzetting op een tweede belangrijke bevinding: decentralisatie gaat (meestal) gepaard met een vorm van schaalvergroting. Die kan op verschillende manieren gerealiseerd worden. Fusies tussen gemeenten zijn een mogelijkheid. Een gemiddelde gemeente in Vlaanderen telt 18.000 inwoners, in Nederland zijn dat er 40.000, in Denemarken zelfs meer dan 50.000. Er zijn ook andere modellen te bedenken. De Rynck haalde het voorbeeld zelf niet aan, maar in Nederland zijn bibliotheken meestal stichtingen die meer dan één gemeente bedienen. Hun werkingsgebied is er dus in de praktijk meestal nog groter.

De Rynck verdedigde dus de plannen van de regering, maar niet zonder daar een belangrijke kanttekening bij te maken. Bovendien herhaalde hij enkele malen dat hij verwacht dat er "ongelukken" zullen gebeuren als die plannen doorgezet worden.

Kanttekeningen

De Rynck presenteerde de levenscyclus van decreten als een fysische wetmatigheid. Zoals water bevriest bij temperaturen onder nul en daarbij uitzet en zo in bergstreken lawines veroorzaakt, zo maken een decreten een proces door van centralisatie naar decentralisatie en kunnen ongelukken niet vermeden worden. Nochtans sprak hij in het Vlaams parlement, voor een publiek dat decreten schrijft, tijdens een hoorzitting die juist handelde over de mogelijke gevolgen van een nieuw decreet en hoe die eventueel vermeden kunnen worden. In tegenstelling tot natuurwetten kunnen decreten bijgestuurd worden, maar de professor leek niet geïnteresseerd in de vraag hoe ongelukken vermeden kunnen worden.

Of misschien toch wel: schaalvergroting zou immers soelaas kunnen bieden. Diensten moeten bekeken worden op regionale schaal en de schotten tussen de beleidsdomeinen worden best doorbroken. Die vaststelling is niet nieuw. Het Witboek Interne Staatshervorming (pdf) dat de vorige regering opstelde onder impuls van minister van bestuurszaken Geert Bourgeois, vond de beperkte bestuurskracht van lokale besturen al een probleem. Inmiddels is Geert Bourgeois minister-president van de Vlaamse regering. Fusies tussen gemeenten staan echter niet in het regeerakkoord. Wat daar wel in staat? Dat de bevoegdheden van de provincies drastisch ingeperkt worden. Nochtans ontwikkelen zich van daaruit heel wat interessante regionale initiatieven. Tot daar het politieke debat over schaalvergroting. De Rynck besefte blijkbaar goed genoeg dat het niet het juiste moment is om te pleiten voor een sterk Vlaams initiatief op dit vlak. En daarmee is meteen ook duidelijk dat hij een politiek spel speelt.

Dubbele agenda

Zijn uitspraak uit De Standaard dat het middenveld conservatiever klinkt dan de politici, heeft De Rynck in het parlement niet meer herhaald. Hij heeft er de politici wel op gewezen dat de stem van "koepels, professionelen en het middenveld" niet neutraal is. Ook zij hebben belangen en macht. De opmerking was lichtjes overbodig: de politici nodigen organisaties uit voor een hoorzitting, onder meer om kennis te nemen van hun standpunten. De meeste organisaties die uitgenodigd waren omschrijven zich onder meer als "belangenorganisatie". Dat zij in hun betoog de belangen van hun achterban verdedigen, is bezwaarlijk een 'verborgen' agenda te noemen.

De retorische truc van professor De Rynck is echter een boemerang. Want ook de academische wereld beschikt over belangen en macht. Zo is het opvallend dat op de hoorzitting maar één academicus het woord mocht nemen. Nochtans had professor Luc Huyse in De Standaard ('Vertrouwen is goed, besparen is beter?', 30 mei 2015) laten blijken dat hij het niet eens was met De Rynck. Het betoog van De Rynck wordt zo ingeschreven in een uitermate politiek discours. Of hij zelf daarbij academische dan wel politieke belangen dient, maakt weinig uit. Een objectieve bijdrage was het allerminst

woensdag 15 april 2015

Minister zonder visie?


Gemeenten mogen hun bibliotheek opdoeken’ blokletterde De Standaard op 12 maart 2015 op de voorpagina. Het nieuws leidde tot een storm aan reacties. Voor de sector zelf was het nochtans geen verrassing. Het regeerakkoord legde immers al vast dat de financiering van de lokale besturen voortaan via het Gemeentefonds moest gebeuren. Dat dit een verregaande impact zou hebben op het lokale cultuurbeleid, stond in de sterren geschreven. Dat nieuws is nu duidelijk doorgedrongen bij het grote publiek. En nu?

Reconstructie

De Standaard beperkte zich op 12 maart niet tot de voorpagina. Geert Sels ging in de cultuurbijlage dieper in op de problematiek, maar bovenal wijdde Guy Tegenbos een editoriaal aan het thema. Alle kranten pikten het nieuws op en daar bleef het niet bij. Luc Martens, voorzitter van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG), mocht in De Ochtend op Radio 1 komen uitleggen dat het zo’n vaart niet zou lopen. De burger moest vertrouwen hebben in de lokale besturen. Een boodschap die minister Sven Gatz ook in De zevende dag mocht verkondigen. De burgers waren er duidelijk minder gerust op, getuige de vele reacties op sociale media en in de pers. Zes bibliotheekgebruikers getuigden in De Standaard over het belang van de bibliotheek in hun leven. Onder hen Iwein Segers, Jeroen Olyslaegers en Eva Mouton. In De Morgen fulmineerden Maarten Inghels en Yves Desmet tegen de beslissing. In dezelfde krant verscheen ook een sterk opiniestuk van het Boekenoverleg. Dat verenigt alle actoren uit het boekenvak, waaronder Boek.be, de Vlaamse Auteursvereniging, Stichting Lezen en de VVBAD.

De argumenten waarmee de beslissing verdedigd wordt, zijn eerder mager. De burger moet vertrouwen hebben in de lokale besturen, zeggen de politici. Ondertussen circuleert er een documentaire op YouTube over het beslissingsproces rond BIEB++, een megaproject nabij het station van Utrecht waarvan de nieuwe bibliotheek een belangrijk onderdeel zou moeten worden. De film illustreert mooi hoe partijen bochten nemen, coalities wisselen en een nieuwe mandataris een genomen beslissing vakkundig kan kelderen. En in het Vlaams parlement wordt gedebatteerd over de structurele onbestuurbaarheid van gemeenten. Onder meer Borgloon, Turnhout, Putte en Denderleeuw hadden hier al mee te kampen. “De maatregel is een extra voedingsbodem voor wantrouwen”, meldt de VVSG op haar website.

Minister Gatz wijst verder op het belang van innovatie in de bibliotheeksector. Dat is een argument dat Luc Martens, burgemeester van Roeselare, ook graag bovenhaalt. In zijn stad opende nog niet zo lang geleden ARhus de deuren. Een voorbeeld dat aantoont dat de sector weldegelijk innoveert, zoals onder meer ook blijkt uit die nieuwe belevenisbibliotheek in Brussel en die zaadjes die in Londerzeel gepland werden. De valse start van e-boeken in de bib en de langzame introductie van RFID in de sector, tonen dan weer aan dat innovatie niet altijd vanzelf komt. Ruim twaalf jaar nadat de eerste bibliotheken overschakelden op zelfbediening, kan je de technologie bezwaarlijk nog vernieuwend noemen. Maar ondanks alle inspanningen is ze nog niet overal ingeburgerd.

Oorverdovende stilte

Als minister Gatz die innovatie zo belangrijk vindt, dan hadden we op zijn minst verwacht dat hij van alle persaandacht gebruik zou maken om uit te leggen hoe hij die vernieuwing in de sector gaat ondersteunen. Maar het blijft oorverdovend stil. Het enige dat we weten, is dat er flink bespaard wordt op de bovenbouw, dat LOCUS en Bibnet fusioneren en dat de digitale uitdagingen de focus worden van de nieuwe organisatie. Daarmee dreigt innovatie verengd te worden tot een technologisch verhaal, alsof de uitdagingen niet groter zijn dan dat.

Organisatorisch, bijvoorbeeld. Filip De Rynck wees er in een opiniestuk in De Standaard op dat er wel logica in zit om de verantwoordelijkheid voor de bibliotheken weg te halen bij de “armlastige gemeenten”. Hij pleit voor “een meer rationeel bedachte en efficiëntere, streekgerichte hertekening van het bibliotheeknetwerk, waarbij de gemeentelijke grenzen niet langer de norm kunnen zijn”. “Maar”, zo eindigt hij zijn stuk, “zonder sterke sturing en dwingende aansporingen van autonome gemeenten zal dat niet lukken”. Helaas, als Sven Gatz al een visie heeft over regionale samenwerking tussen openbare bibliotheken, dan houdt hij die angstvallig voor zich. De enige visie waarover gesproken wordt, is een negatieve: geen persoonsgebonden bevoegdheden meer voor de provincies. Terwijl de Vlaamse regering probeert om een inventaris te maken van provinciale bevoegdheden — en middelen — die overgedragen moeten worden, zijn sommige provincies al begonnen met de ontmanteling. De Gazet van Antwerpen en Het Nieuwsblad berichtten zo over het stopzetten van de subsidies voor het interbibliothecair leenverkeer door de provincie Antwerpen. Ondertussen worden termen als ‘regionaal’ en ‘provinciaal’ stilaan taboe, al lijkt iedereen zich er wel van bewust dat er ‘iets’ moet gebeuren in de ‘tussenruimte’ tussen Vlaamse overheid en lokale besturen.

De minister heeft zijn visienota over de kunstensector geagendeerd in het Vlaams parlement en hij heeft de cultureel-erfgoedsector gemobiliseerd om mee te werken aan een visie op het cultureel-erfgoedbeleid. Over een visie op het lokaal cultuurbeleid lijkt hij zich niet druk te maken. Misschien kunnen we hem dat ook niet kwalijk nemen. Zijn partij heeft het regeerakkoord niet mee onderhandeld en ze is ook niet nodig voor een numerieke meerderheid in het Vlaams parlement. Het debat over de afschaffing van de bibliotheekplicht in de commissie Cultuur van dat parlement, toonde ook duidelijk aan dat de andere meerderheidspartijen het beleid verdedigen en de openbare bibliotheek zien als een lokale verantwoordelijkheid. Zowel Marius Meremans (N-VA) als Caroline Bastiaens (CD&V) uitten hun vertrouwen in de lokale besturen. Voor hen is de kwaliteit van de bibliotheek belangrijker dan de verplichting. CD&V lijkt niet te beseffen dat ze een eigen verworvenheid op de helling zet.

“Vlaanderen hoort op het vlak van de openbare bibliotheken bij de beteren in Europa”, schreef Guy Tegenbos in zijn editoriaal in De Standaard. Terecht, zoals de deelnemers aan de VVBAD-studiereizen naar Barcelona, Stockholm, Marseille en Berlijn konden vaststellen. Het is CVP-minister Rika De Backer die in 1978 met een pennentrek een einde maakte aan de ideologisch geïnspireerde volksbibliotheken ten voordele van goed uitgebouwde gemeentelijke bibliotheken. Dat is een rechtstreeks gevolg van de eerste staatshervorming, waarbij de gemeenschappen de bevoegdheid kregen over cultuur. Het netwerk van openbare bibliotheken zoals we dat nu kennen, is er gekomen omdat Vlaanderen zich op cultureel vlak nadrukkelijk wou profileren. Nu geldt blijkbaar alleen nog de internationale uitstraling. Het Vlaams parlement debatteert over een bibliotheek op de luchthaven van Zaventem, dat naar aanleiding van een artikel in META over de Airport Library op Schiphol. Fijn, maar wanneer komt er een grondig debat over een visie op het lokale cultuurbeleid?

De discussie over de verplichting om een bibliotheek in te richten in elke gemeente, wordt er snel een tussen ‘believers’ en ‘disbelievers’. “U hebt geen glazen bol, en ik ook niet”, zei minister Gatz in het Vlaams parlement. Hij heeft gelijk natuurlijk. Al moest hij in De zevende dag ook toegeven dat hij niet kon uitsluiten dat hier en daar een gemeente haar bibliotheek zou opdoeken. Objectief bekeken is het wel zo dat de afschaffing van de bibliotheekplicht geen enkele meerwaarde biedt voor de bibliotheken. Ook voor die gemeenten die blijven investeren in hun bibliotheek, maakt het niet uit of er nu wel of niet een verplichting is. Alleen voor gemeenten die wel overwegen om hun bibliotheek te sluiten, is de maatregel van belang. Mag de hardnekkigheid waarmee de beslissing verdedigd wordt, dan geen achterdocht opwekken?

Het topje van de ijsberg

Op zich is het afschaffen van de verplichting, maar het topje van de ijsberg. De definitie van de openbare bibliotheek verdwijnt in de prullenbak. De magere kwaliteitscriteria — als we ze zo al mogen noemen — uit het decreet Lokaal Cultuurbeleid komen te vervallen. Het provinciale bibliotheekbeleid staat op de helling en er wordt bespaard, nog altijd, zowel op Vlaams als op lokaal niveau.

Toch moet het debat ons ook gelukkig stemmen. Uit het imago-onderzoek dat de VVBAD recent liet uitvoeren in opdracht van de Vlaamse overheid, bleek al dat er een breed draagvlak is voor de bibliotheek, zowel bij gebruikers als bij niet-gebruikers. Een van de aanbevelingen was dan ook om de gebruikers zelf aan het woord te laten over het belang van de bib. Dat is de voorbije weken massaal gebeurd, spontaan, door burgers die aan den lijve ondervonden hebben dat de bibliotheek een verschil kan maken in een mensenleven. Het Laatste Nieuws informeerde onder meer bij gemeentebesturen in het Hageland en in de noordrand rond Antwerpen naar hun plannen met de bibliotheek. Ze konden nog moeilijk anders dan het belang ervan benadrukken.

Bij de beleidsmakers leeft dus duidelijk het besef dat innovatie in de bibliotheeksector essentieel is. Zo was het einde van ‘e-boeken in de bib’ aanleiding voor alweer een discussie in de commissie Cultuur. Daar bestond eensgezindheid over het belang van dit project. Maar opnieuw bleef een duidelijke conclusie uit. Misschien dat de overdracht van provinciale bevoegdheden en provinciale middelen, ruimte creëert voor nieuw beleid. Maar dat beleid krijgt dan wel best vorm vanuit een duidelijke visie.

Tijd voor actie

De commotie in de pers bracht ook de sector in beweging. Een flinke delegatie bibliotheekmedewerkers liep mee in de Grote Parade van Hart boven Hard, op zondag 29 maart. Zij schaarden zich achter de eerste hartenwens, “samen rijk’: Rijk is een samenleving door degelijk onderwijs, goede zorg, wetenschappelijk onderzoek, sociale zekerheid, bloeiende cultuur en natuur, vlotte toegang tot sport en mobiliteit, … Die rijkdom is van iedereen”.

De VVBAD lanceerde de hashtag #blijfvanmijnbib die vooral door Twitteraars vlot opgepikt werd en Eva Mouton aan het tekenen zette. De vereniging vroeg en kreeg de toestemming om haar cartoon te gebruiken bij verdere acties. Enkele dagen later ging de website www.blijfvanmijnbib.be de lucht in, met de bedoeling een breed publiek te informeren over de problematiek. Speerpunt van de campagne is een postkaartenactie: professionals en gebruikers wordt gevraagd een kaartje te sturen naar de minister. “Investeer een postzegel in de toekomst van je bib en stuur Sven Gatz een kaartje”, afficheerde alvast één bibliotheek.

“Achterhoedegevechten”, zo wordt hier en daar gefluisterd. Misschien, al mogen we verwachten dat de lokale politici die nu juichen, straks in het Vlaams parlement op tafel komen kloppen, als hun bibliotheek de inwoners mag opvangen van de buurgemeente die haar bib gesloten heeft. “Het nieuwe decreet moet stellen dat een gemeente haar bib maar mag afschaffen als ze financieel bijdraagt tot de bibliotheek van de buurgemeente die haar inwoners-lezers zal overnemen”, schrijft Guy Tegenbos met recht en rede in De Standaard.

Maar dat is in wezen een mercantiele benadering: wie haalt er voordeel uit de dienstverlening en wie draait op voor de kosten. Belangrijker is dat er een basisrecht op de helling komt te staan. Het recht op informatie. De Vlaamse overheid zal in de toekomst immers niet meer garanderen dat “elke burger ergens terecht kan met zijn vragen over kennis, cultuur, informatie en ontspanning” zoals het decreet nu stelt. Het lijkt er nu op dat de Vlaamse regering dat recht in de toekomst niet meer wenst te garanderen. De slogan die de VVBAD hanteert, “een bibliotheek in elke gemeente” gaat niet zozeer over het voortbestaan van de instelling op zich. Het is wel een ‘catchy’ vertaling, een concretisering van het recht op informatie. Misschien kan dat ook op andere manieren, maar dat recht moet wel gegarandeerd worden.

Suggesties voor de toekomst

Het kan geen kwaad om even vooruit te denken. Als de regering haar voornemen zonder meer doorzet, wat dan? Er komt in elk geval een nieuw decreet Lokaal Cultuurbeleid, al zal het misschien niet meer die titel dragen. De fusie tussen LOCUS en Bibnet maakt dat noodzakelijk. Dat decreet zou het recht op informatie voor de burger moeten garanderen, ongeacht hoe dat geconcretiseerd wordt. Het lijkt logisch dat er daarbij rekening gehouden wordt met de opmerking van Guy Tegenbos. Het kan niet zijn dat gemeenten opdraaien voor de kosten omdat hun buren schrappen in de dienstverlening.

Van de minister van Cultuur mogen we een duidelijke visie op het lokaal cultuurbeleid verwachten. Hij blijft immers de lokale besturen ondersteunen, al is het maar via het nieuwe steunpunt. Bovendien mogen we hopen dat hij op zijn minst een deel van de provinciale bevoegdheden en de bijbehorende middelen naar zich toe kan trekken. Dat biedt kansen voor nieuw beleid. Een visietraject zoals de minister nu opzet voor het cultureel erfgoed, lijkt ook voor het lokale cultuurbeleid aangewezen. Er is vanuit de bibliotheeksector een duidelijke vraag naar een regionaal beleid. En er is een duidelijke vraag om nog meer in te zetten op innovatie. Dat zijn alvast twee belangrijke thema’s voor die visienota.

Bij het uitwerken van die visie mag de Nederlandse bibliotheekwet inspireren. Bij onze noorderburen is sinds begin 2015 een nieuwe wet van kracht. De rijksoverheid, de provincies en de lokale besturen zijn er gezamenlijk verantwoordelijk voor “een netwerk van openbare bibliotheekvoorzieningen”. Uit dat netwerk stappen kan niet zonder consultatie van de andere partijen en van de inwoners. Een gezamenlijk collectieplan vormt een belangrijk onderdeel van dat beleid en de functies van de openbare bibliotheek zijn duidelijk omschreven.

Als sector doen we er goed aan om er rekening mee te houden dat het zwaartepunt van het beleid zal verschuiven naar het lokale niveau. Zelfs als de verplichting behouden zou blijven, dan nog vraagt de evolutie naar een strategische meerjarenplanning een andere inzet op lokaal niveau. Meer dan ooit zullen we moeten weten wat er speelt op lokaal niveau: waar het bestuur naartoe wil, waar er kansen liggen om meerwaarde te bieden voor andere gemeentediensten, voor lokale organisaties. We mogen niet alleen kijken naar cultuur, maar ook naar onderwijs en welzijn, naar jeugd … De recente heisa in de pers heeft gelukkig bewezen dat er een ruim draagvlak is bij de bevolking. Hoog tijd dat we leren hoe we daarop kunnen inspelen.

Ook voor de beroepsvereniging betekent dat een heroriëntering. De VVBAD kan zich moeilijk richten tot 308 gemeentebesturen. Daarvoor ontbreekt de mankracht. Als vereniging moeten we ons wel afvragen hoe we bibliothecarissen in dit nieuwe landschap zo goed mogelijk kunnen ondersteunen. Meer gericht delen van kennis en expertise is een mogelijke piste, inzetten op een specifiek vormingsaanbod een ander.

Geen tijd dus om bij de pakken te blijven zitten.

Deze tekst verscheen eerst in META 2015-3

donderdag 8 januari 2015

Vrije toegang tot informatie: Charlie en de bib


Enkele jaren geleden maakte de VVBAD werk van een Beroepscode voor informatieprofessionals in bibliotheken en documentatiecentra. De informatieprofessional komt op voor vrije toegang tot informatie en cultuur, stelt de code onder meer, en hij streeft objectiviteit en meerstemmigheid na in de collectie. Ongeveer in dezelfde periode schreef IFLA een internationale code die gebruikt kon worden in streken waar bibliothecarissen geen eigen deontologische code hadden. De nadruk lag hier veel sterker nog op de strijd tegen censuur en het recht op vrije meningsuiting. In Vlaanderen leek die klemtoon minder noodzakelijk. Hier garandeert de overheid immers het recht op een vrije mening.

Maar ook al is vrije toegang nog altijd een basiswaarde van de sector, we leggen er geen nadruk meer op. Over vrije toegang durven we nauwelijks nog te spreken, nu alles wat gratis is, meteen ook verdacht is. Het is immers op termijn onbetaalbaar. Of het zet aan tot piraterij. Of het is gewoon piraterij. En ook de informatie vegen we meer en meer onder de mat, zeker in de openbare bibliotheken waar de discussie over de toekomst van de sector hevig woedt. We moeten gemeenschappen vormen, ontmoeting stimuleren, heilige huisjes afbreken en de veilige zekerheden loslaten. De informatie wordt gereduceerd tot een kanttekening. En niemand roept ‘censuur’ als uitgevers botweg weigeren om hun e-boeken aan de bibliotheek te verkopen. Ze hebben daartoe immers het volste recht, toch?

Elders is het anders. In de VS publiceert de American Library Association jaarlijks een lijstje van boeken die het meest gewraakt worden in bibliotheken en dat al ruim dertig jaar. In 2013 stonden Vijftig tinten grijs op vier en De hongerspelen op vijf in de top tien van boeken die gebruikers graag verwijderd wilden zien uit bibliotheken. Banned Books Week is er een begrip. De vrijheid om te lezen en de vrije toegang tot informatie staan dan uitdrukkelijk centraal. Dat zijn geen loze woorden. In de Amerikaanse bibliotheekwereld zijn de Connecticut Four helden. In 2005 verzetten vier bibliotheekverantwoordelijken van Library Connection, een bibliotheeknetwerk in Connecticut zich met succes tegen de uitvoering van de Patriot Act. De FBI had gegevens van leners opgevraagd en tegelijkertijd een verbod opgelegd om hierover te communiceren.

Zich verzetten tegen het juridische geweld van het overheidsapparaat van de machtigste staat op aarde is een zaak, zich verzetten tegen een stel fanatici die met kalashnikovs in de hand een redactielokaal binnenstormen, een hele andere. In Parijs stierven eerder deze week twaalf mensen bij een aanslag van extremisten op het satirische tijdschrift Charlie Hebdo. “Als bibliothecaris bedenk ik vandaag dat het een geluk is voor de veiligheid van mijn medewerkers dat jihadisten minder lezen dan ze naar prentjes kijken”, schreef bibliothecaris Nathalie Verstrynge als reactie op Facebook. “In onze collectie staat nogal wat dat hen wel eens meer tegen de borst zou kunnen stoten dan een cartoon.” Daarmee zet ze vrije toegang tot informatie ook bij ons weer nadrukkelijk op de agenda. Zouden we bereid zijn om het leven te laten voor deze waarde?

In een recent blogbericht antwoordt R. David Lankes op de vraag wat bibliotheken kunnen doen na een aanslag zoals deze. In tijden van conflict zoeken mensen naar informatie en verklaringen. Ze zoeken steun en houvast binnen hun gemeenschap. Daar ligt een rol voor de bib. "The libraries did not diminish the conflict, nor ignore systemic racism. Yet the libraries did not close, and did not retreat", schrijft hij over de bib in Ferguson ten tijde van de rassenrellen daar. De bibliotheek was er letterlijk de veilige plek in de stad.

Maar als Lankes ons oproept om stand te houden in tijden van conflict, lijkt Nathalie nog een stap verder te gaan “Anderzijds bedenk ik ook meteen dat we gefaald hebben”, vervolgt ze in haar post. “Dit zijn Westerse jongeren. Hadden ze maar al die boeken gelezen. Ze zijn hier opgegroeid zonder te proeven van onze vrijheid.” Kunnen bibliotheken ook een verschil maken voor het conflict uitbreekt?  Hoe het  niet moet, zagen we alvast in Marseille. Het stadsbestuur trok er de bibliotheken terug uit de banlieus en liet er honderduizenden over aan de zorgen van ondergefinancierde espaces lecture. De jongeren daar krijgen er nauwelijks kans om te genieten van een vrije toegang tot informatie.Aan de ingang van de hype centrale bibliotheek in het centrum van de stad, houden veiligheidsagenten nadrukkelijk de wacht. Maar er is vrije toegang tot informatie, toch? Censuur is er niet en de informatie is gratis beschikbaar...


Uit de Beroepscode voor informatieprofessionals in bibliotheken en documentatiecentra:
  • De informatieprofessional komt op voor vrije toegang tot informatie en cultuur.
  • De informatieprofessional streeft bij de collectievorming een zo groot mogelijke mate van objectiviteit en meerstemmigheid na.
  • De informatieprofessional heeft een open en onbevooroordeelde houding tegenover de gebruikers.

Bibliothèque du Merlan: Couloir de la mort

donderdag 18 december 2014

Bibliothecarissen

"the sort of personality that makes people seek out higher education so they can make low salaries helping people"
The  Annoyed Librarian